zondag 26 oktober 2014

Rimborso

Omdat Italië tegenwoordig natuurlijk een knap modern land is, kan op steeds meer plaatsen onbemand worden getankt. Dat is heel erg handig, omdat je dan nooit meer halverwege de dag of ergens in de loop van de avond zonder benzine komt te staan. Bovendien is zelf getankte benzine ook nog eens goedkoper.

Geheel in lijn met de tijdgeest staan we dan ook op een zonnige zomermorgen met een bijna lege tank bij de zelfbediening om voor vijftig euro bij te vullen. Geroutineerd verrichten we de noodzakelijke handelingen. We plaatsen het bankbiljet op de juiste wijze in de juiste gleuf van de betaalzuil zodat herkenning als wettig betaalmiddel mogelijk is. Daarna kiezen we de pomp die we willen gaan gebruiken en zijn we helemaal klaar om te gaan tanken.

Na enige tijd valt op dat de pomp daarentegen helemaal niet klaar is. Er komt geen druppel uit. Zelfs het traditionele gereutel dat altijd ontstaat om ook gehoorsmatig duidelijk te maken dat er gepompt kan worden blijft ontbreken. Een velletje papier dat ongeveer op kniehoogte aan de pomp is bevestigd biedt enige verduidelijking. Of we zo vriendelijk willen zijn, zo staat kort aangeduid, om onze benzine te betrekken van de pompen 1, 2, 5 of 6. En laten we nu toevallig net gekozen hebben voor pomp 4!

Terug bij de automaat waar ook de pomp moet worden gekozen ontwaren we nu een soortgelijk vel papier. Even over het hoofd gezien, de eerste keer! We hebben onze ogen nu eenmaal niet in onze knieën! Lastiger is vervolgens dat de keuze voor een pomp onherroepelijk blijkt te zijn. Eens gekozen blijft gekozen. Niets meer aan te doen. Je doet het maar met de pomp van eerste voorkeur. Zoiets.

Na een paar minuten geven we het op. We moeten door naar een afspraak, vijftig euro armer en een ervaring rijker. VERTROUW ER NIET BLINDELINGS OP DAT POMPEN OOK POMPEN! Als we uitleggen waarom de stemming er bij ons niet helemaal inzit blijkt dat in Italië voor ieder probleem altijd een oplossing aanwezig is. Het systeem is menselijk van opzet en werking en houdt altijd rekening met gebrek. Het is gebouwd met de gedachte dat zaken vaak niet werken zoals bedoeld en dat mensen zich voortdurend vergissen. En de oplossing is in dit geval dat als je voor benzine betaalt en daarna geen of minder benzine afneemt het apparaat na verloop van tijd een tegoedbonnetje (rimborso) uitspuwt (tenzij natuurlijk het mechanisme dat tegoedbonnetjes produceert faalt). Je moet alleen een beetje geduld hebben, want omdat je met de afname van benzine maar nooit weet wanneer je klaar bent met afnemen neemt het systeem de tijd om de conclusie te bereiken dat je minder hebt genomen dan waarop je recht hebt.

Gewapend met deze nieuwe inzichten haasten we ons terug naar de pomp en verdomd: het tegoedbonnetje heeft zich gemanifesteerd en ons dure geld is gelukkig niet verloren gegaan.

Nu doemt echter het volgende vraagstuk op: Bij wie lever je het bonnetje in om het geld terug te krijgen? De typerende eigenschap van een onbemand tankstation is immers dat er niemand is om bonnetjes bij in te leveren. Gelukkig blijkt ook hier de pragmatische en tot concessies geneigde (katholieke?) instelling van de Italianen. Het onbemande tankstation is weliswaar in de regel onbemand, maar twee maal per week, op marktdagen tussen 9 en 11, toch maar even niet. Er zijn immers altijd bonnetjes om in ontvangst te nemen. Door deze benadering wordt het probleem hanteerbaar. De markt is weliswaar net afgelopen en het duurt nog een paar dagen voordat het de volgende keer markt is, maar we zijn niet op doorreis. We hebben alle gelegenheid om nog een keertje terug te komen.


Een weekje later staan we dan ook keurig in de rij. We leveren ons bonnetje in, krijgen ons geld terug en besluiten dat we het een volgende keer maar eens gaan uitgeven bij een ander tankstation. Een tankstation, bijvoorbeeld, waarbij alle pompen het gewoon doen.

zondag 12 oktober 2014

Het korte leven van geraniums

Bloemen houden van mensen (hoewel Poetin dat op dit moment niet helemaal lijkt te beseffen), maar reeën houden van bloemen. Of dat aangeleerd gedrag is of een natuurlijke neiging laten we hier maar even in het midden. Misschien heeft het ook wel te maken met het feit dat er dit jaar wel erg veel reeën zijn. En dat er sprake is van reeënstress, waardoor die beesten malle dingen gaan doen.

Laten we de zaken maar even op een rijtje zetten. Het eerste dat ons dit voorjaar opviel is dat de buurvrouw het muurtje dat haar tuin van de onze scheidt aan het rechttrekken was. Of liever gezegd (ze deed het echt niet zelf) dat ze een klusjesman aan het werk had gezet om dat voor haar in orde te maken. Dat werkje is nu af, en het ziet er strak uit. 

Tevens viel ons op dat er aan onze kant van het muurtje, bij het lage gedeelte, een provisorisch hekwerkje was neergezet van bamboe en gaas. We dachten nog dat het bedoeld was om de dorpskatten iets duidelijk te maken, maar gelukkig kwam de buurvrouw het ons even later zelf uitleggen. Wat bleek? Het hekje was niet mooi, dat vond ze zelf ook wel, maar het was een tijdelijke oplossing. De bedoeling was een mooi, stevig, permanent hekwerk, een ware verfraaiing voor de hele omgeving. En het was niet bedoeld om ons op afstand te houden, zeker niet, dat moesten we niet denken. Maar een maand eerder was op een nacht een troep reeën via onze tuin naar die van haar geklommen en die beesten hadden de hele tuin kaalgevreten. Dat wil zeggen, alle prachtige bloemen die ze met zoveel geduld en liefde aan het grootbrengen was waren in één keer allemaal vermalen en doorgeslikt.

Dat leek ons een sterk verhaal. Waarom zouden reeën zich vergrijpen aan geraniums, petunia’s en dergelijk spul als onze tuin, twee meter verder en duizend vierkante meter puik hoogopgeschoten gras voor een uitgebreide maaltijd beschikbaar is? Maar als mensen gelukkig worden van het plaatsen van hoogwaardig hekwerk zijn wij de laatsten om ze dat uit het hoofd te gaan praten.

De hele zomer viel ons vervolgens de grote aanwezigheid van reeën op. Je ziet ze op de meest ongebruikelijke tijden en op plaatsen die ze normaal mijden. Midden op de dag, in plaats van in de schemering. Dat is ons tot nu toe alleen overkomen in een jaar dat het extreem warm en droog was, en de arme beesten voortdurend op zoek waren naar water. Aan water echter dit jaar geen gebrek, en echt heet kun je het ook niet noemen. Het zal (denken we nu) wel eens te maken kunnen hebben met de zachte winter die we achter de rug hebben. Veel reeën hebben de winter blijkbaar overleefd, hebben vervolgens veel kindertjes gekregen en zijn daarna tot de ontdekking gekomen dat het nu wel erg vol is geworden. En wat doe je dan? Dan moet er nieuw territorium worden ontgonnen. Dan ga je naar plaatsen die je normaal gesproken zou mijden en begin je dingen te eten die tot dan toe niet op het menu stonden. Maar bloemen is wel het laatste waaraan je zou denken.

Een paar dagen geleden gingen we op een avondje naar de pizzeria. Hieruit kan worden afgeleid dat in ons geval geen sprake was van het eten van dingen die normaal niet op het menu staan. Maar dat is echter niet het punt dat we willen maken. We aten onze pizze. We dronken er wat bij. We keerden terug naar huis in het pikkedonker en we gingen daarna tevreden naar bed.


De volgende ochtend hadden we, op ons terras gezeten, een licht gevoel van vervreemding. Er klopte iets niet, maar wat? Het had te maken met het ontbreken van kleur in onze ooghoeken. Een gebrek aan rood. Na een tijdje kregen we in de gaten wat er aan de hand was. Onze bokaal met geraniums, de trots van ons terras, was zorgvuldig kaalgevreten. We telden zeventien vermiste rode bollen. De eenzaam achtergebleven steeltjes vertoonden sporen van scherpe tanden. 

Terwijl wij genoeglijk aan onze pizze zaten, hadden ongenode gasten zich tegoed gedaan aan de plaatselijke specialiteit in onze tuin. Onze buurvrouw had blijkbaar gelijk gehad! Onwaarschijnlijke verhalen berusten toch op waarheid.

Gelukkig voor ons zijn reeën blijkbaar erg luie eters. De geraniums in de wat hoger gelegen bakken, waarvoor je je nek moet uitsteken, waren onaangeroerd en volbloemig achtergebleven.

zondag 28 september 2014

Gol Gol Gol Gol But But But But

Toen we in 2002 onze eerste huisje in Italië kochten kregen we er ook heel veel inboedel bij. Zo maak je een vliegende start. Of we dan ook belangstelling hadden voor het aanwezige bed- en linnengoed, wilde Rina, onze verkopende wederhelft in dat kader weten. Dat vonden wij wel praktisch. Dus graag, zeiden wij, laat de handdoeken en kussenslopen maar lekker in de kast.

Na de overdracht troffen we een complete verzameling aan, gewassen, gestreken, strak gevouwen en zorgvuldig in plastic verpakt. Zo spic-and-span als we het zelf nog nooit voor elkaar hadden weten te krijgen. En, wellicht ter teleurstelling van Rina, als we het in de toekomst ook nooit zouden gaan proberen te krijgen. Huishouden op het hoogste niveau, om het anders te formuleren, far beyond our aspirations.

Hoe dan ook, in de collectie bevond zich ook een badlaken waarop de enerverende wereld van het voetballen werd verbeeld en dat ook nog eens lekker afdroogde na het nemen van een verkwikkend stortbad. Echt een verrassing van het type: nooit gedacht en toch gekregen. En daarom sinds 2002 gekoesterd en gebruikt.

Op bijgaande afbeelding hangt het badlaken aan de lijn, in de zuiverende zomerzon. We zien een scorende aanvaller, een doelman die achter het net vist en een publiek dat ademloos toekijkt. Bij een nadere beschouwing van de iconografische kwaliteiten ontwaren we een interessante terugkeer naar een pre-Giottische afbeeldingswijze die poogt aan te sluiten bij een middeleeuwse beeldende verhaaltraditie. In één enkel beeld worden de verschillende scènes van het verhaal gevangen. Allereerst is daar de scorende spits, schuin naar ons toegekeerd en gevangen in het moment dat hij net het beslissende schot heeft geplaatst. Ook de enkele seconde later misgrijpende keeper is in het beeld gevangen. Door het samenbrengen van deze twee aspecten wordt een bijna surrealistisch loopje met de werkelijkheid genomen. De spits heeft onze richting uitgeschoten, maar de bal is achter hem terecht gekomen in het doel van de tegenpartij. Twee dimensionaal beschouwd zien we weliswaar een rechte lijn tussen de schietende voet en de weggetrapte bal, maar bijna Esscheriaans is een spanning opgeroepen tussen de drie dimensies van de werkelijkheid en de twee dimensies van het afdrogende badstof.

Op zo’n manier is douchen bijna een feest te noemen!

zondag 14 september 2014

Cinque Terre

Omdat ongeveer de helft van Droomhuis Italië de mening is toegedaan dat volwassen mannen niet in korte broek in de trein horen te zitten (wat ongetwijfeld gerelateerd is aan de kwaliteit van de benen van deze helft) waren we degelijk gekleed op weg gegaan naar Monterosso voor een mooi stukje wandelen. Voor de volledigheid dient hieraan te worden toegevoegd dat de keuze van kleding eveneens gebaseerd was op eerdere wandelervaringen of the beaten track, waar een degelijke spijkerbroek een verstandige keuze bleek bij het overwinnen van bramenstruiken en brandnetels.

Waar we natuurlijk onvoldoende bij hadden stilgestaan is dat de Cinque Terre met de beste wil van de wereld niet tot de ongerepte natuur gerekend kunnen worden. De Cinque Terre zijn werelderfgoed, en dat zullen we weten ook. Iedereen wil tussen de vijf dorpjes gaan wandelen. Je bent geen minuut alleen.

Nu dienen we er hier voor de volledigheid aan toe te voegen dat we een aantal jaren geleden ook al eens in die omgeving een wandeling hadden willen maken, in het voorjaar, op Hemelvaartsdag. Toen waren we er echter niet in geslaagd per gemotoriseerd vervoer in Monterosso aan te komen, omdat de grote processie in Levanto (waar stoere mannen enorme kruisbeelden door het stadje zeulden) elke beweging op vier wielen onmogelijk maakte. Om van de nood een deugd te maken waren we vervolgens maar gaan lopen, en dat leverde drie uur fijn wandelen op tot Monterosso. Daar namen we een stevige lunch, waarbij ongeveer dezelfde helft van Droomhuis Italië als waarvan eerder sprake was er een iets te groot glas grappa overheen gooide en de middag vervolgens verminderd aanspreekbaar doorbracht. Dat had overigens geen blijvende gevolgen omdat de terugreis per trein werd uitgevoerd. Hoe dan ook: het was erg een geslaagde dag waarop alleen voor het restaurant en de trein moest worden betaald.

In de file voor een wandelkaartje
De tijden veranderen echter. En werelderfgoed is goede handel. Dit keer kwamen we bij het verlaten van Monterosso in de file terecht voor het bemachtigen van de zogeheten Cinque Terre Trekking Card (€ 7,50 p.p. en 1 dag geldig, mits op de juiste wijze afgestempeld). 
Zo wordt wandelen een enigszins begrotelijke bezigheid. Met al dat geld worden echter, zo mijmer je bij het trekken van de portemonnee, natuurlijk wel vele goede daden verricht en prettige voorzieningen geschapen. Reparaties van het wegdek worden stante pede uitgevoerd. En het traject tussen Corniglia en Riomaggiore wordt consequent gesloten gehouden om te voorkomen dat de dames en heren wandelaars in de frana storten die al twee jaar geleden is ontstaan.
Gereguleerd toiletgebruik
Eveneens zijn op het traject dat wel beschikbaar is fraaie borden neergezet met duidelijke aanwijzingen omtrent toiletbezoek.

In ruil voor het kaartje, dat moeten we er voor de volledigheid even bij zeggen, krijgt de wandelaar wel toegang tot wifi5terre met een hartstikke uniek user-id (T31XY900) en password (JAEGUG4B). Aan het eind van de wandeling kunnen dan ook meteen de reeds 100.000 maal gefotografeerde unieke uitzichtjes direct op Facebook en zo worden geplaatst.

Gelukkig wilden we dit keer niet verder dan Corniglia (tussenstop met lunch –zonder grappa dit keer– in Vernazza) en konden we wandelen wat we wilden wandelen. Wandelen in de Cinque Terre, zo hebben we geleerd, is eigenlijk een uit de hand gelopen variant van traplopen. Je gaat eerst 150 meter omhoog, dan loop je vervolgens 300 meter enigszins vlak, en tenslotte ga je weer 150 meter naar beneden om in het volgende dorp aan te landen. Wil je nog een dorp verder, dan herhaalt het proces zich. Het zijn alleen trappen uit de allerergste nachtmerries van Gaudi. Geen twee treden zijn gelijk. Al lopende dien je dus voortdurend goed op te passen (oefening baart kunst!), en zorgvuldig tegenliggers te vermijden. Daar tussendoor heb je dan tijd om van het uitzicht te genieten en de noodzakelijke foto’s voor Facebook te maken.






Maar, zoals vele duizenden die dag met ons, volbrachten we deze opgave met verve en kwamen we uitgewandeld terecht op het station van Corniglia. Daar begon het grote wachten. Daar hebben we het echter al eerder over gehad.

zondag 31 augustus 2014

Laatste trein naar Parma

Dit had een licht ironisch stukje moeten worden over ons tochtje naar de Cinque Terre, dat pittoreske postzegelgebied met Unesco-status. Maar omdat we besloten hadden daar per trein heen te gaan komt daar nu even niet zo heel veel van terecht. We kwamen weliswaar aan waar we aan wilden komen, en nog enigszins volgens dienstregeling ook, maar terug naar huis was een ander verhaal. Dat gaan we hier kort vertellen. Onze belevenissen in Unesco-gebied volgen een andere keer.

Zo op het eerste gezicht lijken de Italiaanse spoorwegen toch wel enigszins een modern bedrijf, helemaal van deze tijd. Er is sprake van een website (http://www.trenitalia.com/) die met enige moeite ook nog kan worden overgehaald om stukjes van de dienstregeling te tonen. De grootste aandacht gaat echter uit naar het ultramoderne netwerk van de hoge snelheid, jolig aangeduid als Le Frecce, waarmee van grote stad naar grote stad kan worden gereisd en waarmee de noodlijdende Italiaanse spoorwegen het al even noodlijdende vliegende AlItalia serieus pijn willen doen. Echt een natte droom van modern managersvolk. En dat vervolgens ook het stomme klootjesvolk vervoerd moet worden van dorpje A naar dorpje B (of in ons geval van Borgo Val di Taro naar Monterosso al Mare) zien we dan later wel weer.

Dat hebben we echter nog niet zo in de gaten als we om 8:46 uur op het perron in afwachting zijn van de trein. Met ons vele anderen in strandverpakking, want in Monterosso kan goed gestrand worden. De trein is al gezellig vol, maar er zijn nog zitplaatsen. En zittend boemelen we door vele tunnels naar de kust, in een trein die alleen instappende passagiers kent en zich ontwikkelt van vol naar overvol. Daar stoppen we in La Spezia, waar zowaar enkele reizigers de trein wensen te verlaten. Voor elke vertrekkende passagier komen er echter tien terug. Het is nog vroeg, het is nog redelijk koel en iedereen is in opperbeste stemming. Met iedereen aan boord bereiken we uitpuilend de plaats van bestemming.

De terugweg is een ander verhaal. Volgens de in de virtuele wereld bestaande dienstregeling zijn er vrij veel treinen die van Corniglia naar La Spezia rijden, maar in de werkelijke wereld weigeren ze te verschijnen. Het station beschikt nog wel over van die televisieachtige apparaten waarop treintijden worden vertoond, maar die hebben vooral de functie om treinen te laten verschijnen en verdwijnen, een beetje zoals bij weeralarm code oranje (“De trein van 18:15 uur rijdt vandaag helaas niet”) in Nederland. Daar staan we dan, gestrand in Corniglia, dat als enige van de Cinque Terre geen strand heeft omdat het wat hoger op de rots ligt. Als er eindelijk een trein arriveert wil iedereen natuurlijk mee. Alleen loopt het nu al tegen vijven, is het behoorlijk warm en wil iedereen vooral gewoon naar huis na zo’n dagje zonnen en wandelen. In de nog drukkere trein lopen de gemoederen dan ook op, vooral als bij station Manarola blijkt dat de deur het heeft begeven en niet meer open wil. Een verhitte oudere Hollandse heer gaat helemaal door het lint. Het onvermogen tot uitstappen leidt tot een scala aan escalerende gemoedstoestanden die het best omschreven kunnen worden als paranoïde en suïcidaal. Hij ziet het ZO niet meer zitten dat hij zich het liefst ter plekke voor een trein zou willen werpen. Maar dat gaat nu eenmaal moeilijk als de trein stilstaat en je er niet uit kunt, dus loopt het allemaal gelukkig met een sisser af.

In station Riomaggiore is het perron te kort voor de trein, zodat de geachte clientèle  geacht wordt in de treintunnel uit te stappen en zelf maar even te zien hoe het perron bereikt kan worden. Gelukkig wordt deze uitdaging gemiddeld sportief opgenomen.

In La Spezia gaan we eerst even de stad in om te borrelen omdat de aansluitende trein naar Borgo Val di Taro nog zo’n anderhalf uur op zich laat wachten, maar als we opgewekt op het station terugkeren hebben de spoorwegen als verrassing besloten de betreffende trein zonder verdere mededeling te laten vervallen, zodat we nog een uurtje voor ons zelf hebben. Had dat even van te voren gezegd, want we hadden best nog even door kunnen borrelen, de haven kunnen bezichtigen, een leuk stukje shopping voor onze rekening kunnen nemen, en nog zo wat. Om negen uur komt dan toch, bijna als een mirakel, de laatste trein naar Parma daadwerkelijk voorgereden, zodat we uiteindelijk de nacht gewoon in eigen bed kunnen doorbrengen. Medereizigers die verder moeten dan Parma hebben vermoedelijk grote pech.

Wat hebben we van onze ervaringen geleerd? In de eerste plaats dat we bij een volgende excursie toch gewoon maar weer de auto nemen. In de tweede plaats dat er wel eens sprake kan zijn van twee Italiaanse spoorwegen. Aan de ene kant de officiële (blinkende kantoren in Rome en Milaan) waar het al eerder genoemde moderne managersvolk schitterende hoogtepunten beleeft aan de topsnelheden van de Frecciabianca en de Frecciarossa. En daarnaast, los daarvan, de spoorwegen van de realiteit, waar de uitvoerende medewerkers (om er toch nog maar iets van te maken) een eigen dienstregeling hebben ingevoerd die in een uiterst losse relatie staat tot hetgeen op de website wordt beweerd. Wat is anders de betekenis van het vodje dat de lokettiste van dienst ons in Borgo Val di Taro toeschoof bij het kopen van de kaartjes en dat een uiterst summiere opsomming bleek te bevatten van treinen die wel zouden rijden?


vrijdag 22 augustus 2014

Water en vuur

Normaal gesproken is in de zomer in Italië het weer geen issue. Of een onderwerp van gesprek. ’s Morgens sta je op en kijk je tegen een blauwe lucht aan. Dit jaar is het echter anders en is weerkundig sprake van een merkwaardig (merkweerdig?) jaar waarin, zonder veel oog voor de seizoenen, veelvuldig sprake is van Hollandse wolkenluchten.

Dat heeft dan meteen het al even Hollandse effect dat je naar het weerbericht gaat kijken en alle meteo’s doorneemt die in Italië voorhanden zijn. En die zeggen vervolgens allemaal wat anders. Want weer voorspellen kunnen ze niet in Italië. Dat is immers nooit nodig. Het beste weerbericht over Italië komt uit Noorwegen. Zij het dat hierbij sprake is van een licht Scandinavisch pessimisme.

Eveneens kan er heel veel over het weer gepraat worden. “Het is helemaal niks dit jaar,” zegt de ober van het restaurant in Castel Arquato waar we net gegeten hebben. “In de winter de hele tijd regen, in de lente de hele tijd regen, en nu in de zomer is het niet anders. De klanten blijven weg bij al die regen. Het restaurant is leeg, en de verdiensten zijn naatje.” Hoewel Italianen meesters zijn in het klagen, heeft de ober op dat moment wel enig recht van spreken. Het regent pijpenstelen. Wat de klanten betreft is het probleem echter niet dat ze niet komen, maar dat ze niet weg kunnen. Met een geleende paraplu gaan we na een kwartiertje de auto maar eens halen. Als we door de bergen naar huis rijden gaat de regen langzaam over in heel dikke mist. Op de tast weten we na uren thuis te komen.

En wat doe je dan om de somberte te verdrijven? Dan steek je gezellig de kachel aan! Dat is ons in hoogzomer nog nooit gelukt! Normaal probeer je de warmte een beetje buiten te houden. Maar op een regenachtige namiddag gaat er niets boven een goed boek bij een knapperend houtvuur.

Het is echter ook een jolige vorm van overdrijven. Je moet toch wat als de verveling dreigt toe te slaan. 

Een dagje later zitten we ’s avonds gewoon weer lekker buiten. En dan is het tijd voor schemeren rondom een al even gezellig buitenvuurtje in de vuurschaal. En als het dan lekker donker wordt geeft dat mooie plaatjes. En ook wel diepfilosofische gesprekken over de aard der dingen. En over het weer van de volgende dag.


donderdag 14 augustus 2014

Castelli Aperti

Omdat we als Droomhuis Italië heel erg de mening zijn toegedaan dat je een kasteel ook wel kunt beschouwen als een soort van droomhuis zijn we bijzonder blij met het jaarlijks initiatief van de regio Piemonte om van april tot oktober kastelen en adellijke huizen voor het publiek toegankelijk te maken. Dat heet Castelli Aperti (Open kastelen), en voor je het weet ben je in staat om bijvoorbeeld op 22 juni, 3 augustus of 7 september de drempel van een normaal niet toegankelijk huis te overschrijden.

In dat kader bezoeken we op 20 juli in de middag het kasteel van Monastero Bormida. Dat levert meteen een fraaie combinatie met het feit dat in hetzelfde kasteel (in hoofdletters) de tentoonstelling IL MONFERRATO 500 ANNI DI ARTE: GRANDI ARTISTI IN UN PICCOLO STATO wordt gehuisvest. De Monferrato is weliswaar klein, maar zeker niet van de straat. En Monastero Bormida zal dat bewijzen!

De rondleiding begint op het plein voor de hoofdingang. Dat is ook op gewone dagen vrij toegankelijk gebied, maar je moet ergens beginnen en een kniesoor die daarop let. Bovendien vindt er een sponsorachtig evenement van het plaatselijke Rode Kruis plaats, waarbij genummerde jongens en meisjes ijverig heen en weer rennen.

We beginnen vervolgens aan een uitgebreide rondleiding rond de buitenkant en doen daarbij grote hoeveelheden historische kennis op. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij (wie had dat nou gedacht in een plaatsje dat Monastero heet!) en werd pas later in een kasteel omgetoverd. Eerst een fort met heel kleine raampjes en daarna met toenemend woongemak en beter glas. En de bijna losstaande toren was oorspronkelijk de toren van de abdijkerk. En die boog die toren en kasteel verbindt is het laatste restant van die kerk. En zo hobbelen we in 360⁰ de façade af. En maken we voor de gelegenheid tevens een uitstapje naar de bijzijnde romaanse brug over de Bormida. Wisten we dat het kapelletje middenop oorspronkelijk een tolhuisje was? Die smalle, hoge brug kennen we overigens al. Het is immers een van onze guilty pleasures om daar per auto overheen te rijden in de hoop tegenliggers tegen te komen voor het spelletje Wie moet er achteruit?

Pionnen in een schaakspel
Na drie kwartier hebben we het volledige rondje gemaakt en staan we weer voor de hoofdingang. Nog steeds weet onze gids op meesterlijke wijze het ogenblik uit te stellen dat we naar binnen mogen. We voelen ons pionnen in een onbegrepen schaakspel. Dan eindelijk worden we de binnenplaats opgeleid waar we geconfronteerd worden met een mooie collectie Ikea-waxinelichtlampjes van het type ROTERA (Lanterna per candeline, nero). Laat een verrassende eclectische mix van oud en nieuw maar aan de Italianen over! Die trouwens €4,95 per lampje betalen, terwijl we ze in Nederland voor €2,95 mee naar huis mogen nemen.

Clean desk
Maar zand daarover. Eindelijk zijn we na 55 minuten de drempel overgestoken en blijkt het Castello deels in gebruik als gemeentehuis. Een unieke mogelijkheid om de balie van de burgerlijke stand  eens vanuit een ander perspectief te savoureren. En een kijkje achter de schermen te nemen. En de effecten van de Piemontese clean desk policy te bewonderen. 
En met eigen ogen te aanschouwen dat zelfs een kleine plattelandsgemeente als Bormida tussen de gemengde berichten en het politiek sociaal geneuzel nauw betrokken is bij het meeslepende Europese Leonardo-project. 
De Franse adelaar op het plafond van de raadzaal bewijst hierbij trouwens dat ook twee eeuwen geleden Monastero al onderdeel was van het complexe pan-Europese raderwerk.

Diep onder de indruk beginnen we daarna op de zolderverdieping van het kasteel, onder spreekwoordelijke hanenbalken, aan de tentoonstelling. Kunstwerken van de late middeleeuwen tot en met de moderne tijd worden smaakvol aan ons gepresenteerd. 

Vurig feminisme bijvoorbeeld in de vorm van het beeldhouwwerk Donna Mediterranea van de in Nizza Monferrato geboren Claudia Formica. En dat al omstreeks 1933, in het midden van de fascistische era, met Mussolini om de hoek. De geamputeerde armen! De hautaine blik vol verachting! Het niets om het lijf! Echt een statement van jewelste.

Dan hebben mannen, zo blijkt uit een suffig schilderijtje dat ook tot de tentoonstelling is toegelaten, het toch al eeuwenlang een stuk gemakkelijker. Die mogen tenminste hun armen en kleren be- en aanhouden om zich contemplatief te bekreunen over vanitate en memento mori.

Verkwikt staan we een half uurtje later weer buiten. Het bijzonder aardse en fysieke beklimmen van de voormalige kerktoren blijkt een mooie opmaat voor een ijsje bij de bar-gelateria twee straten verderop.

zondag 20 juli 2014

Het nieuwe lezen heeft geen woorden nodig

Dat tegenwoordig alles BELEVING is lijkt ook tot Italië doorgedrongen. U kent dat wel, als gewoon niet meer genoeg is en je hoe dan ook, wat je ook aan het doen bent, zult GENIETEN tegen de klippen op. Of tot je erbij neervalt. Zodat je (evenals de rest van de planeet) unieke ervaringen opdoet die niemand je ooit nog kan afnemen. Die je dan via sociale media ter plekke aan iedereen rondtoetert.

In Nederland heeft, zoals we uitgebreid in het nieuws hebben kunnen meebeleven, de belevingseconomie ook het boekenvak in een klemmende houdgreep genomen. Eerst werd, om de onomkeerbare opkomst van het internetwinkelen te weerstaan, een aantal kwaliteitsboekhandels geketend in een onbegrijpelijk verband dat Selexys (of zoiets) werd genoemd. Welke gek verzint zo’n naam? Toen daar niemand meer boeken wilde kopen werd de vlucht naar voren gekozen door samen te gaan met De Slegte, bastiljon van traditie en onveranderlijkheid. Maar om te voorkomen dat het mogelijk publiek overmand zou worden door weemoed werd dat gerealiseerd onder de naam Polare. Polare klinkt als een speciaalzaak in koelkasten en vrieskisten. Wederom: welke gek verzint zo’n naam? Hoe het allemaal afliep is genoegzaam bekend.

Wie denkt dat in een traditioneel denkend land als Italië het boeken kopen aan de terreur van de gezelligheid is ontkomen komt echter bedrogen uit. Dat denken wij althans, na ons recente bezoekje aan de provinciehoofdstad Parma. We koesterden nog het beeld van de boekenzaak Fiaccadori (vanaf 1829), een boekenzaak zoals een boekenzaak door de schepper bedoeld is. Afgeladen met boeken. Boeken keurig in het gelid in boekenkasten van de vloer tot het plafond. Boekenkasten met zo’n verrijdbaar laddertje, zodat ook de bovenste planken bereikt kunnen worden. Waar een orde heerst die voor een gewoon sterveling nauwelijks is te bevatten, maar waar het deskundig personeel wel raad mee weet. “Hebt u voor mij het verzameld werk van Leopardi?” zou hier een vraag kunnen luiden. Of misschien ook: “Welke gebonden editie van De kartuize van Parma zou u me kunnen aanraden?” En hup, daar schiet het laddertje twee meter naar rechts, en een kwiek baasje, vanaf het allereerste begin reeds bij de zaak in dienst, klimt naar boven om met minstens tien verschillende edities weer af te dalen.

Maar Fiaccadori moet vrezen voor zijn leven, want vijfhonderd meter verderop heeft de gerenommeerde keten Feltrinelli onder de joyeuze naam la Feltrinelli de boekhandel van de toekomst geopend. In een majestueus pand, ruim en licht, met zware tekenen van zorgvuldige restauratie en doorspekt met industriële details. 

Een terrasje voor de deur, en een uitgebreide bar die de voorste helft van de begane grond bezet. Je moet goed zoeken voor je de eerste boeken tegenkomt, tussen de e-readers door. En gedurende de gehele rondgang over de drie ruime verdiepingen blijf je in onzekerheid of je nu in een boekhandel bent beland, of bij een traiteur. Het is, kortom, allemaal zo modern en helemaal van deze tijd dat een licht gevoel van ontregeling voortdurend op de loer ligt.



De eerste keer dat wij er kwamen vertrokken we dan ook met een ambachtelijk vervaardigd taartje en een mooi vormgegeven stukje hoogwaardige chocolade. We gingen later die dag op bezoek en we hadden nog een aardigheidje nodig voor de gastvrouw, vandaar.


zondag 6 juli 2014

Slow food in razende vaart

Soms zie je het pas als je het door hebt. Of zoiets. En soms loop je per ongeluk (of eigenlijk: per geluk) tegen iets aan. Dat overkwam ons recentelijk toen we een middagje Parma deden en daar de Strada Farini doorliepen om eens een kijkje te nemen bij de Citadella di Parma. U weet wel, dat onneembare fort aan de zuidrand van het centrum van Parma dat mogelijk zo’n prominente rol vervult in de roman De kartuize van Parma van Stendhal. Of niet, want een romanschrijver blijft een romanschrijver. Misschien heeft hij alles verzonnen. En veel is er overigens niet meer van over, van die citadel, want tegenwoordig is het een parkje waar kinderen kunnen trampolinespringen.

Maar daar gaat het nu niet over. En wat volgt is evenmin verzonnen. Het was warm, het zonnetje scheen, en we kregen, staande voor de deuren van een ijssalon, spontaan zin in een lekkere gelato. Geheel toevallig (toeval bestaat niet?) bleken we beland voor de deuren van GROM (il gelato come una volta) waaraan het zonnige tijdschrift Italie Magazine een aantal maanden geleden een juichend artikel heeft gewijd. “We rekenen af, lopen naar een nabij­gelegen parkje om er eens goed voor te gaan zitten en al na de eerste hap weten we: dit is ijs zoals het bedoeld is.” Dat soort proza dus. En ook: “In een filmpje voor een Italiaans programma op Rai Uno is te zien hoe het duo een aardbeiensorbet maakt. Guido snijdt twee aardbeien doormidden, roemt de textuur van de ene aardbei en kraakt die van de andere af. Niet alleen de ­buitenkant, ook het hart van de vrucht is voor hen een belang­rijk selectie­criterium.” We blijven niet citeren, maar het punt is –lijkt ons– wel gemaakt. Hier worden nieuwe dimensies toegevoegd aan kritische, onafhankelijke journalistiek.

Maar ook daarover willen we het eigenlijk niet hebben. Het is nog steeds zonnig, en we hebben nog steeds zin in een ijsje. We lopen dus naar binnen, vervoegen ons aan de kassa en bestellen due coni van het middelste formaat. We willen klasse, en gaan niet op een paar centen kijken. Misschien is eveneens onbewust de waarschuwing van de scherpzinnige reporter van het Magazine in ons achterhoofd blijven hangen: “Het zal geen verbazing wekken dat deze duurzame productie van ijs gepaard gaat met een stevig prijskaartje.” Onbekommerd trekken we evenwel onze portemonnee en bestellen twee ijsjes voor € 2,70 het stuk. Ronduit stevig, maar we geven geen krimp.

Duurzaam? Prijskaartje? Voor het goede begrip van wat nu gaat volgen moeten we nog even kwijt dat GROM werkt volgens de filosofie van de slow food beweging. Het brede, moderne verbond dat zich inzet voor het gebruik van de allerbeste producten zonder smaak- en conserveermiddelen, zorgvuldig bereid, en vaak met een lange bereidingstijd. Lekker langzaam dus, net zoals je een ijsje moet eten. Likken met kleine bescheiden likjes. Likje voor likje voor likje.

Voor ons dure geld mogen we drie smaken kiezen. En die worden vervolgens zorgvuldig op onze hoorntjes geladen, totdat een uitzakkend torentje ontstaat van zo’n tien centimeter hoog. Een halve kilo ijs per persoon, zo voelt het een beetje aan. En het is warm, en het ijs heeft een gezonde behoefte om te gaan smelten. En alras beginnen straaltjes gesmolten lekkernij een weg te zoeken naar beneden, geheel conform de wetten van de zwaartekracht.

Het moet gezegd: heerlijk ijs. Maar nog nooit hebben we zo hard moeten werken om onze ijsconsumptie niet te laten ontsporen in een grote zoete kledderbende. Het smelttempo is likkenderwijs eigenlijk niet bij te benen. Slow gelato wellicht, maar keihard beulen om het spul naar binnen te krijgen. Een race tegen de klok!

Welke les kunnen we hieruit leren? Slow food en slow eating (of: licking) zijn niet hetzelfde. Onze tip derhalve: ga naar GROM, voor het geld hoef je het niet te laten. Maar neem het kleinste ijsje dat er is. Of neem een bakje in plaats van een hoorntje. Het slow-gevoel is wellicht minder, maar het gemak vermoedelijk groter.


Heel verliefde stelletjes met een goed ontwikkelde fijne motoriek kunnen een groter ijsje delen door de delicatesse gezamenlijk en van twee kanten tegelijkertijd te benaderen. Dat geeft meteen aanleiding tot tedere momenten als er lippen moeten worden schoongehouden. Romantiek wellicht, zoals het bedoeld is. Ondersteund door de beste natuurlijk ingrediënten. Maar altijd de vaart er in houden!

zondag 29 juni 2014

De situatie met het water

Onze toenmalige kroonprins leerde al van zijn vader dat er met water drie dingen zijn. Het is te veel, te weinig of te vuil. Combinaties van deze drie (niet alle combinaties, overigens) zijn ook mogelijk. Dat maakt wel duidelijk dat je er bovenop moet zitten. En zo was het watermanagement geboren.

In het dorp waar wij ons eerste huisje hadden gekocht was Gianni verantwoordelijk voor het watermanagement. Dat had heel erg te maken met het feit dat hij de enige permanente bewoner van het dorp was. Mario was eveneens goed op de hoogte, maar hij was er meestal alleen in het weekeind, en een halve week op water moeten wachten is geen haalbare optie.

Watermeter zonder rekening: als de radertjes draaien weet je
dat het water stroomt.
In dit kader dient gememoreerd dat het dorp was aangesloten op een eigen bron. Geen bijzonder fenomeen, want de Italiaanse Apennijnen staan stijf van het water en op de gekste plaatsen borrelt het op. Een eigen bron betekent dat je nooit waterrekeningen krijgt (voordeel!), maar dat je er wel zelf voor moet zorgen dat het water blijft stromen. Ook dat laatste is overigens met de Italiaanse waterleveranciers niet per se een nadeel. De servicetijden kunnen er aanmerkelijk door verkort worden.
Milieuvriendelijk beheer: zolang de waterleiding niet kapot is
hoeft er niets aan te gebeuren.
Het had wel voor een situatie gezorgd dat de kwaliteit van het waterleidingwerk een pragmatisch samenstel was van enigszins los gestructureerde elementen van wisselende kwaliteit. De oorspronkelijke ruim bemeten serbatoio pal achter ons huis had een capaciteit van zo’n 8000 liter, maar was buiten gebruik gesteld toen de constructie scheuren begon te vertonen. Van reparatie was uiteindelijk afgezien, omdat dat blijkbaar toch wel heel erg moeilijk was. Het tragische verscheiden van een dorpsbewoner die in het vat bezig was en er niet meer uit kon komen leek daar iets mee te maken te hebben. Het fijne van het verhaal zijn we nooit te weten gekomen.

Beginpunt van het canale di Mario
Hoe dan ook: het probleem was opgelost door hoger op de helling een tweetal nieuwe waterreservoirs te installeren. Die hadden weliswaar een veel kleiner volume, maar zolang je niet urenlang met zijn allen aan het douchen sloeg (of soortgelijke waterintensieve handelingen wenste te verrichten) was er niet veel aan de hand. Mario die wat hoger op de berg zijn woning had, had daarbij gezorgd voor een eigen reservoir dat via een aftakking van de waterleiding, in de volksmond bekend als het canale di Mario, werd gevoed.

In onze eerste Italiaanse zomers kwam het een paar keer voor dat midden op de dag de waterdruk helemaal wegviel. Op die momenten bleek Gianni’s oude moeder aan watermanagement te doen en was ze ’s morgens de moestuin gaan bewateren zonder bij vertrek de kraan te sluiten. Dat gaf mooie tomaten, drijvende sla en een tuin waar je pas twee dagen later weer goed in kon, maar ons ongemak was meestal na een half uurtje verholpen.

Toen enkele jaren later het water langduriger wegviel en geen aanstalten maakte om terug te keren begrepen wij dat er iets anders aan de hand moest zijn. Hier waren de watermanagementkwaliteiten van Gianni vereist. De laadbak van de tractor werd volgestopt met onduidelijk, maar vermoedelijk uiterst bruikbaar materiaal, en zo reden we de berg op. Dat wil zeggen: Gianni reed, en wij liepen er als ongeschoold manusje van alles leergierig achteraan. Al snel bleek dat we aan reverse engineering gingen doen. Van onder tot boven gingen we de bekende knelpunten langs om te kijken waar zich waterstremmingen voordeden.

Watermanager in actie. Niet voor een gat te vangen!
Het onderste reservoir stond zo goed als leeg en werd nauwelijks gevoed. De put halverwege het weiland waar de oude en nieuwe bron samenkwamen en je erg op moest passen voor adders gaf hetzelfde beeld. Het bekende zwakke punt op het hoger gelegen bospad, waar ooit bij een aardverschuiving de leiding was geknapt vertoonde geen bijzondere sporen en evenmin een aanwezigheid van water. Dit was een eerste belangrijk signaal in de ogen van de watermanager: het probleem had te maken met de nieuwe bron, en het feit dat we zo weinig water hadden werd veroorzaakt door het feit dat alleen de oude bron nog leverde. Voor de zekerheid (en om alle andere mogelijke verklaringen uit te sluiten) werden de leidingen die we hadden opgegraven nog maar even doorgeblazen door de leiding met een poetslap aan te sluiten op de uitlaat van de tractor en daarna stevig gas te geven. Ogen, oren, neus en keel kregen het bij die handeling even stevig te verduren. Die avond hebben we voor de zekerheid alleen flessenwater gebruikt om te koken en thee en koffie te zetten.

Vanaf dat moment schakelde de watermanager over op een tactiek van forward engineering en gingen we linea recta naar de nieuwe bron. Die bleek geheel in de bebossing verdwenen en enigszins lastig te traceren, maar ook daar weet een bergtractor wel raad mee. In no time was een ruim zoekgebied van struweel ontdaan en konden we op zoek naar de bovenste put die het aan de oppervlakte opborrelende water opvangt en het leidingensysteem instuurt. Toen we daar konden constateren dat de bron nog steeds stroomde en een gemiddelde productie te zien gaf van vijf liter water per minuut kenden we de aard van het probleem: een verstopping ergens in de eerste 250 meter van de leiding.

Het spreekwoordelijk lek is
boven water!
Hoe stel je vast waar zich in die 250 meter precies de verstopping bevindt? Ook daarvoor had de watermanager een oplossing. Je zaagt gewoon om de zoveel meter de leiding door en kijkt wat je tegenkomt. Gelukkig was het de eerste keer, twee meter van de serbatoio, al raak en zagen we de verstopping met eigen ogen in volle glorie de boel verstoppen. Wortels van de planten rondom de put waren op zoek naar water binnengedrongen en het filter om de leiding schoon te houden was er niet helemaal tegen bestand gebleken. Jaar na jaar hadden minuscule wortelhaarvaten zich vermenigvuldigd tot een solide soort van kabel die de leiding stukje bij beetje totaal had gevuld en afgesloten.


De boosdoener is gearresteerd en afgevoerd.
Toen was het alleen nog zaak om de wortel uit de leiding te krijgen en dat was ouderwets wrik- en trekwerk dat na een half uurtje wel klaar was. Dat we daarna moesten constateren dat we in de voorraad van de watermanager geen verbindingsstuk aantroffen om de doormidden gezaagde leiding te herstellen was slechts een detail dat wachtte op de middagopening van de Ferramenta in het nabijgelegen dorp. ’s Avonds konden we gewoon weer onder de douche.

zondag 22 juni 2014

Graaf van Bardi

Het koninklijk wapen.
Linksboven het fort van Bardi,
anatomisch niet correct.
Wederom zien we ons als Droomhuis Italië verbonden met het wereldtoneel. We zijn er niet helemaal zeker van of zich op dit toneel een serieus drama afspeelt of een boertige klucht, dat laten we over aan het scherpzinnig oordeel van onze lezers. Maar toch voelen we de dringende plicht tot informering. Om het anders te zeggen: we moeten het even kwijt.

Het zit ongeveer zo: Sinds enkele jaren mogen we ons parttime inwoners van de fraaie comune di Bardi noemen. Gezien het volwassen bedrag dat we jaarlijks aan tributi bijdragen mogen we wel zeggen fiscaal volledig ingeburgerd te zijn. Dat schept een band. Bij officiële gelegenheden zingen we het plaatselijke volkslied mee, zoiets.

Om de zoveel tijd bezoeken we natuurlijk ook het plaatselijk pronkstuk, het ongelooflijk uit de kluiten gewassen Fortezza di Bardi. een machtig bouwwerk waarover we bij een andere gelegenheid wel eens zullen schrijven.


En zo naderen we langzaam het eigenlijk onderwerp van dit bericht. Jarenlang bevatte het fort, opgeprikt aan een onbeduidend stukje muur in een van de verwaarloosde gebouwen, een morsige zwart wit foto van het gehele gezin De Bourbon de Parme dat daar net op staatsiebezoek was. Carlos Hugo (†2010) voorop, en het hele kindervolk rondom. Irene ontbrak, want die had haar loopbaan reeds omgebogen naar bomenecologie. Indertijd ging onze belangstelling het meeste uit naar Margarita, die toen op de toppen van haar afluisterparanoia zweefde, maar ondertussen wel (en nog steeds) gravin van Colorno was.

Hoe dan ook: Recent berichtte de immer goed ingevoerde Volkskrant dat Carlos de Bourbon de Parme het recht op de Spaanse troon claimt. Ook hier wint Nederland van Spanje, want laten we wel wezen: Carlos is half Nederlands, en door zijn huwelijk met het burgermeisje Annemarie staat de teller nu op 75%. Burgermeisjes zijn trouwens ook nog eens heel populair in Spaans koninklijk verband. Dat deze uit een CDA-nest komt doet daar niets aan af.

Het harnas van Carlos
is al klaar
Maar het meest verbluffende is natuurlijk dat Koninklijke Carlos ook nog eens een keertje graaf van Bardi is, naast al zijn andere drukke werkzaamheden. Ook Italië wordt steeds Nederlandser. Want reken maar dat Carlos koning gaat worden en zijn Fortezza di Bardi gaat opeisen. Als de hofhouding dan meeverhuist, hebben wij als parttime inwoners van Duitsen bloed en den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd mooi een streepje voor.

Een operettescenario? Luchtfietserij? Dezelfde goed ingevoerde Volkskrant meldde een tijdje terug eveneens dat Prins Jaime de Bourbon de Parme, de neef van de koning, de ambassadeur is geworden bij de Heilige Stoel in Vaticaanstad. Een machtige hand op de achtergrond. Het subtiele schaken om de macht is begonnen. Het spel is op de wagen. En binnenkort vertrekken we maar eens naar het zuiden om er met onze neus boven op te staan.

zondag 8 juni 2014

Gianni – the sequel

De vorige keer hebben we Gianni verlaten bij het nuttigen van cipolle ripiene. In een setting waarin Gianni het bestuur over zijn huishouden overliet aan zijn zuster Irena. Want een man heeft, zoals we constateerden, weinig te zoeken in de keuken.

Deze huishoudelijke dienst werd alleen in de zomer onderbroken als de zus uit Engeland een paar weken op vakantie kwam en blij was haar natuurlijke Italiaanse staat van zijn weer op te nemen. Daar werd ze ontzettend gelukkig en luidruchtig van. We kunnen ons eigenlijk niet meer herinneren of we haar man ooit aan haar zijde hebben gezien. Hij was onzichtbaar of afwezig, wat overigens op geen enkele wijze afbreuk deed aan haar geluksgevoel. De kinderen die meekwamen (of mee moesten) ervoeren, aan de andere kant, een fundamenteel gevoel van ontheemding. Anders gezegd: ze verveelden zich te pletter in dit dorp van negen huizen, tien kippen, vier katten en een Duitse herder die naar de naam Lupo luisterde. Zodra de kans zich voordeed volgden ze hun vader in zijn onzichtbaarheid of afwezigheid.

Lupo, 1 of 2?
Lupo was daarentegen een constante factor. Daar kon zelfs de dood geen verandering in brengen. Dat wil zeggen dat de Lupo die we als eerste hadden leren kennen op enig moment weliswaar het tijdelijke voor het eeuwige verruimde, maar naadloos werd opgevolgd door een uiterst identiek tweede exemplaar dat voor het gemak eveneens naar de naam Lupo luisterde. Binnen een jaar waren ook de daden van beide honden geheel in  elkaar overgevloeid en was bij zowel Gianni als Irena het besef verdwenen dat in de realiteit van hun bestaan sprake was van een volgordelijkheid van twee verschillende wezens. Hun verhalen gingen, indien de gelegenheid zich voordeed, altijd over de hond Lupo, die al heel lang bij hen was en (trouwe metgezel!) vermoedelijk eeuwig bij hen zou blijven.

Met een vrouw in de keuken kon Gianni zich concentreren op zijn lotsbestemming: gras maaien en hout hakken. Daartoe verplaatste hij zich op antiquarische oranje bergtractoren (trattori cingolati) van het merk Fiat. Luidruchtige machines op rupswielen die elk plaveisel weten te kraken en elke helling (desnoods als een cinghiale dwars over struiken en bomen heen) weten te nemen. Hij had er twee, bijna identiek, maar toch in wezen en karakter duidelijk van elkaar onderscheiden (waarom heb je er anders twee?) die wisselend bereden werden. Hun geplof en gereutel bij het verlaten van de stal diende ons menigmaal als wekker. Je kon eveneens aan hun naderende herrie de klok gelijk zetten voor de lunch. Alleen de wolken tamelijk vervuilde dieseldamp die over ons terras trokken waren niet zo heel erg aangenaam.

Oude machines, allang uit de handel genomen, hebben de eigenaardigheid dat reserveonderdelen zeldzaam worden of gaan ontbreken. Maar contadini op het Italiaanse platteland zijn uiterst zelfvoorzienend en handvaardig. Met ijzerdraad wordt de motor bij elkaar gehouden en wat er ook gebeurt en wat er ook af valt, ze blijven rijden. Alleen de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid dieseldamp worden steeds groter. Maar hoe dan ook: een contadino blijft een contadino die blijft maaien tot hij erbij neervalt.

Dat laatste leek letterlijk het geval toen we bij aankomst ergens in een lente van jaren terug van onze Italiaanse vrienden van twee huizen verder te horen kregen dat Gianni een ernstig auto-ongeluk had gehad. Zijn autootje was, op de terugweg van het wekelijkse uitstapje naar de markt, vol in de flank getroffen door een autocoureur op topsnelheid en op de verkeerde weghelft. Gianni was over een muurtje de weg afgetorpedeerd en total loss een aantal meters lager in de berm terechtgekomen. Toen hij was uitgezaagd en naar het universitaire ziekenhuis van Parma was vervoerd bleken er nog maar weinig botten over die hij niet had gebroken. Ook waren diverse ingewanden gescheurd en doorboord. Hij was, met andere woorden, een wrak. Pas na drie maanden was hij in staat om zijn vinger weer naar zijn neus te brengen. Weer een maand later slaagde hij er in om zelfstandig een lepel in zijn mond te stoppen.

Onder dergelijke omstandigheden leek het ons voor Gianni onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, om ooit nog zijn oude way-of-life te hervatten. Hij was tenslotte ook de jongste niet meer en wij stelden ons al een situatie voor waarin hij als pensionato zijn levensdagen sleet in een aangepaste woning in het dorp tien kilometer verderop. In de directe nabijheid van zijn zus, die dan meteen een zorgzaam oogje in het zeil kon houden. Maar wij onderschatten zijn wilskracht, of koppigheid, of combinatie van beide. Of zijn onvermogen om iets anders te zijn dan contadino, wat geen beroep is maar een roeping. Of zelfs dat niet eens, maar iets nog veel intensers, een door het opperwezen toegewezen lotsbestemming. Een gewone sterveling zou vermoedelijk na een aantal pijnlijke en frustrerende ervaringen alle pogingen hebben gestaakt om plaats te nemen op een oncomfortabele en niet geveerde bergtractor op rupsbanden.

Maar als de bergtractor onderdeel is van jezelf is dat geen optie. Dus toen we het jaar daarop in de lente terugkwamen werden we als vanouds ontvangen met geplof, gereutel en vervuilde dieseldamp en was de Siamese symbiose van man en machine hersteld. Het enige verschil was eigenlijk dat Gianni nog welsprekender klaagde dat het allemaal niet meeviel.

Hoe betrekkelijk dat laatste was bleek wel het meest duidelijk tijdens de situatie met het water. Maar daarover hebben we het wel eens een andere keer.

zondag 1 juni 2014

La Superba

Hoewel we als Droomhuis Italië een verstandige afstand proberen te bewaren van de waan van de dag en tijdloos proberen te rapporteren over de Italianità, blijken we ons op sommige momenten toch op de snelweg van het tijdgebonden rumoer te bevinden. Onbedoeld, zullen we maar zeggen. En dan moet je wat. Bijvoorbeeld ergens iets van vinden en meedraaien in de rondedans van de meningen.

Zo hadden we, om bij ons laatste verblijf in Italië iets te lezen te hebben, een spontane greep gedaan naar het werkje La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer. Ging daar een overwogen keuzeproces aan vooraf (je kunt tenslotte niet alle boeken meenemen uit de boekhandel)? We zullen het niet mooier maken dan het is: we laten ons bij onze keuze regelmatig leiden door het feit dat het boek in Italië speelt. Of van Italiaanse afkomst is. Op deze wijze hebben we een Italiaans bibliotheekje bij elkaar gesprokkeld en op locatie weggelezen. 


En dit werk speelt zich af in Genua, La Superba (dat was ons vanaf de omslag al duidelijk). Een intrigerende stad, we zijn er nog niet zo lang geleden geweest, en weer eens wat anders dan dat platgetreden Firenze. Dat het boek als hoofdpersoon een grote dikke schrijver heeft in wie we moeiteloos de contouren van de heer Pfeijffer zouden kunnen vermoeden werd ons pas al lezende duidelijk. Maar ach, in het Italiaanse zijn we tolerant en grootmoedig.

Wie schetst onze verbazing dat het werk, ongeveer op het moment dat we de laatste bladzijde omsloegen, er met zo'n beetje de belangrijkste prijs uit de Nederlandse letteren vandoor ging, de Libris literatuurprijs? Een gedreven jury had een keuze gemaakt uit zes veronderstelde meesterwerken, en La Superba schitterde van al dit goud het meest. Wij hadden ons beperkt tot het kopen van slechts één boek, en daarbij meteen de juiste keuze gemaakt. Je hebt het in je, of niet.

En wat hadden we dan wel gelezen? De jury, onder leiding van meesterlezer Paul Witteman, vatte het als volgt samen: ‘een belangrijke roman met universele zeggingskracht, die de komende jaren vele nieuwe lezers verdient, ook buiten ons eigen taalgebied. Behalve een ode aan Genua en zijn bewoners, is La Superba in de eerste plaats een indrukwekkende ode aan de verbeelding.’ Dat leidde bij ons, op basis van wat we net zelf onder ogen hadden gehad, tot enige verwarring. Er gingen gedachten door ons heen als: Geen wonder dat Paul op televisie een stapje terug heeft moeten doen. Of: Als dit boek de hoofdprijs wint staat het er met de Nederlandse letteren niet al te best voor.


Want, om er geen doekjes om te winden: La Superba mist te veel om voor indrukwekkend door te kunnen gaan. Het is onevenwichtig en slechts hier en daar groots. In zijn behandeling van seksualiteit maakt de schrijver het pijnlijk duidelijk dat hij het niveau van een zeventienjarige puber niet heeft weten te ontgroeien. Soms is het vertelde irrelevant, bijvoorbeeld in het breed uitgesponnen intermezzo over de Britse alcoholist Don die een gelukkige verdrinkingsdood sterft in een continu stromende hoeveelheid gin. Soms is het heel slechte vertelkunst, zoals in het intermezzo van de Afrikaanse vluchteling. Die vertelt zijn dramatisch levensverhaal (tenminste, dat is de bedoeling), maar je hebt voortdurend het gevoel dat je terecht bent gekomen in een saai maar uiterst ordelijk hoorcollege van een middelmatige en ongeïnspireerde academicus.

Het leukste zijn eigenlijk de anekdotische passages, zoals de twee hilarische pagina's waarin het verschil tussen Nederlandse en Italiaanse cameramannen wordt uitgelegd. Of de beschrijving van het televisiegenre Ik vertrek, waarin mensen het roer omgooien en in verre landen de weg kwijtraken. Dan toont de schrijver zijn kunnen, om vervolgens weer kopje onder te gaan in de zelf opgelegde plicht om een heel boek vol te krijgen. Knap overigens (we zijn niet te beroerd om ook dat tolerant en grootmoedig toe te geven) hoe de laatste anekdote vele pagina's verder op het eind weer opduikt als spiegel om de eigen ondergang van de grote, dikke, als schrijver opgevoerde hoofdpersoon te reflecteren.

Dat weet het boek als geheel echter niet te redden. In Nederland is dat vervolgens geen bezwaar. Lees er de recensies maar op na. De dikke prijs zij de heer Pfeijffer van harte gegund.

En zo zijn we in deze simpele blog eens een keertje lekker actueel uit onze slof geschoten. En weet u nu wat wij vinden van La Superba (en ook een beetje van de Libris literatuurprijs). Maar wat vindt u? Reageer, want ook dat is modern en actueel.