zondag 8 juni 2014

Gianni – the sequel

De vorige keer hebben we Gianni verlaten bij het nuttigen van cipolle ripiene. In een setting waarin Gianni het bestuur over zijn huishouden overliet aan zijn zuster Irena. Want een man heeft, zoals we constateerden, weinig te zoeken in de keuken.

Deze huishoudelijke dienst werd alleen in de zomer onderbroken als de zus uit Engeland een paar weken op vakantie kwam en blij was haar natuurlijke Italiaanse staat van zijn weer op te nemen. Daar werd ze ontzettend gelukkig en luidruchtig van. We kunnen ons eigenlijk niet meer herinneren of we haar man ooit aan haar zijde hebben gezien. Hij was onzichtbaar of afwezig, wat overigens op geen enkele wijze afbreuk deed aan haar geluksgevoel. De kinderen die meekwamen (of mee moesten) ervoeren, aan de andere kant, een fundamenteel gevoel van ontheemding. Anders gezegd: ze verveelden zich te pletter in dit dorp van negen huizen, tien kippen, vier katten en een Duitse herder die naar de naam Lupo luisterde. Zodra de kans zich voordeed volgden ze hun vader in zijn onzichtbaarheid of afwezigheid.

Lupo, 1 of 2?
Lupo was daarentegen een constante factor. Daar kon zelfs de dood geen verandering in brengen. Dat wil zeggen dat de Lupo die we als eerste hadden leren kennen op enig moment weliswaar het tijdelijke voor het eeuwige verruimde, maar naadloos werd opgevolgd door een uiterst identiek tweede exemplaar dat voor het gemak eveneens naar de naam Lupo luisterde. Binnen een jaar waren ook de daden van beide honden geheel in  elkaar overgevloeid en was bij zowel Gianni als Irena het besef verdwenen dat in de realiteit van hun bestaan sprake was van een volgordelijkheid van twee verschillende wezens. Hun verhalen gingen, indien de gelegenheid zich voordeed, altijd over de hond Lupo, die al heel lang bij hen was en (trouwe metgezel!) vermoedelijk eeuwig bij hen zou blijven.

Met een vrouw in de keuken kon Gianni zich concentreren op zijn lotsbestemming: gras maaien en hout hakken. Daartoe verplaatste hij zich op antiquarische oranje bergtractoren (trattori cingolati) van het merk Fiat. Luidruchtige machines op rupswielen die elk plaveisel weten te kraken en elke helling (desnoods als een cinghiale dwars over struiken en bomen heen) weten te nemen. Hij had er twee, bijna identiek, maar toch in wezen en karakter duidelijk van elkaar onderscheiden (waarom heb je er anders twee?) die wisselend bereden werden. Hun geplof en gereutel bij het verlaten van de stal diende ons menigmaal als wekker. Je kon eveneens aan hun naderende herrie de klok gelijk zetten voor de lunch. Alleen de wolken tamelijk vervuilde dieseldamp die over ons terras trokken waren niet zo heel erg aangenaam.

Oude machines, allang uit de handel genomen, hebben de eigenaardigheid dat reserveonderdelen zeldzaam worden of gaan ontbreken. Maar contadini op het Italiaanse platteland zijn uiterst zelfvoorzienend en handvaardig. Met ijzerdraad wordt de motor bij elkaar gehouden en wat er ook gebeurt en wat er ook af valt, ze blijven rijden. Alleen de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid dieseldamp worden steeds groter. Maar hoe dan ook: een contadino blijft een contadino die blijft maaien tot hij erbij neervalt.

Dat laatste leek letterlijk het geval toen we bij aankomst ergens in een lente van jaren terug van onze Italiaanse vrienden van twee huizen verder te horen kregen dat Gianni een ernstig auto-ongeluk had gehad. Zijn autootje was, op de terugweg van het wekelijkse uitstapje naar de markt, vol in de flank getroffen door een autocoureur op topsnelheid en op de verkeerde weghelft. Gianni was over een muurtje de weg afgetorpedeerd en total loss een aantal meters lager in de berm terechtgekomen. Toen hij was uitgezaagd en naar het universitaire ziekenhuis van Parma was vervoerd bleken er nog maar weinig botten over die hij niet had gebroken. Ook waren diverse ingewanden gescheurd en doorboord. Hij was, met andere woorden, een wrak. Pas na drie maanden was hij in staat om zijn vinger weer naar zijn neus te brengen. Weer een maand later slaagde hij er in om zelfstandig een lepel in zijn mond te stoppen.

Onder dergelijke omstandigheden leek het ons voor Gianni onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, om ooit nog zijn oude way-of-life te hervatten. Hij was tenslotte ook de jongste niet meer en wij stelden ons al een situatie voor waarin hij als pensionato zijn levensdagen sleet in een aangepaste woning in het dorp tien kilometer verderop. In de directe nabijheid van zijn zus, die dan meteen een zorgzaam oogje in het zeil kon houden. Maar wij onderschatten zijn wilskracht, of koppigheid, of combinatie van beide. Of zijn onvermogen om iets anders te zijn dan contadino, wat geen beroep is maar een roeping. Of zelfs dat niet eens, maar iets nog veel intensers, een door het opperwezen toegewezen lotsbestemming. Een gewone sterveling zou vermoedelijk na een aantal pijnlijke en frustrerende ervaringen alle pogingen hebben gestaakt om plaats te nemen op een oncomfortabele en niet geveerde bergtractor op rupsbanden.

Maar als de bergtractor onderdeel is van jezelf is dat geen optie. Dus toen we het jaar daarop in de lente terugkwamen werden we als vanouds ontvangen met geplof, gereutel en vervuilde dieseldamp en was de Siamese symbiose van man en machine hersteld. Het enige verschil was eigenlijk dat Gianni nog welsprekender klaagde dat het allemaal niet meeviel.

Hoe betrekkelijk dat laatste was bleek wel het meest duidelijk tijdens de situatie met het water. Maar daarover hebben we het wel eens een andere keer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten