zondag 22 juni 2014

Graaf van Bardi

Het koninklijk wapen.
Linksboven het fort van Bardi,
anatomisch niet correct.
Wederom zien we ons als Droomhuis Italië verbonden met het wereldtoneel. We zijn er niet helemaal zeker van of zich op dit toneel een serieus drama afspeelt of een boertige klucht, dat laten we over aan het scherpzinnig oordeel van onze lezers. Maar toch voelen we de dringende plicht tot informering. Om het anders te zeggen: we moeten het even kwijt.

Het zit ongeveer zo: Sinds enkele jaren mogen we ons parttime inwoners van de fraaie comune di Bardi noemen. Gezien het volwassen bedrag dat we jaarlijks aan tributi bijdragen mogen we wel zeggen fiscaal volledig ingeburgerd te zijn. Dat schept een band. Bij officiële gelegenheden zingen we het plaatselijke volkslied mee, zoiets.

Om de zoveel tijd bezoeken we natuurlijk ook het plaatselijk pronkstuk, het ongelooflijk uit de kluiten gewassen Fortezza di Bardi. een machtig bouwwerk waarover we bij een andere gelegenheid wel eens zullen schrijven.


En zo naderen we langzaam het eigenlijk onderwerp van dit bericht. Jarenlang bevatte het fort, opgeprikt aan een onbeduidend stukje muur in een van de verwaarloosde gebouwen, een morsige zwart wit foto van het gehele gezin De Bourbon de Parme dat daar net op staatsiebezoek was. Carlos Hugo (†2010) voorop, en het hele kindervolk rondom. Irene ontbrak, want die had haar loopbaan reeds omgebogen naar bomenecologie. Indertijd ging onze belangstelling het meeste uit naar Margarita, die toen op de toppen van haar afluisterparanoia zweefde, maar ondertussen wel (en nog steeds) gravin van Colorno was.

Hoe dan ook: Recent berichtte de immer goed ingevoerde Volkskrant dat Carlos de Bourbon de Parme het recht op de Spaanse troon claimt. Ook hier wint Nederland van Spanje, want laten we wel wezen: Carlos is half Nederlands, en door zijn huwelijk met het burgermeisje Annemarie staat de teller nu op 75%. Burgermeisjes zijn trouwens ook nog eens heel populair in Spaans koninklijk verband. Dat deze uit een CDA-nest komt doet daar niets aan af.

Het harnas van Carlos
is al klaar
Maar het meest verbluffende is natuurlijk dat Koninklijke Carlos ook nog eens een keertje graaf van Bardi is, naast al zijn andere drukke werkzaamheden. Ook Italië wordt steeds Nederlandser. Want reken maar dat Carlos koning gaat worden en zijn Fortezza di Bardi gaat opeisen. Als de hofhouding dan meeverhuist, hebben wij als parttime inwoners van Duitsen bloed en den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd mooi een streepje voor.

Een operettescenario? Luchtfietserij? Dezelfde goed ingevoerde Volkskrant meldde een tijdje terug eveneens dat Prins Jaime de Bourbon de Parme, de neef van de koning, de ambassadeur is geworden bij de Heilige Stoel in Vaticaanstad. Een machtige hand op de achtergrond. Het subtiele schaken om de macht is begonnen. Het spel is op de wagen. En binnenkort vertrekken we maar eens naar het zuiden om er met onze neus boven op te staan.

zondag 8 juni 2014

Gianni – the sequel

De vorige keer hebben we Gianni verlaten bij het nuttigen van cipolle ripiene. In een setting waarin Gianni het bestuur over zijn huishouden overliet aan zijn zuster Irena. Want een man heeft, zoals we constateerden, weinig te zoeken in de keuken.

Deze huishoudelijke dienst werd alleen in de zomer onderbroken als de zus uit Engeland een paar weken op vakantie kwam en blij was haar natuurlijke Italiaanse staat van zijn weer op te nemen. Daar werd ze ontzettend gelukkig en luidruchtig van. We kunnen ons eigenlijk niet meer herinneren of we haar man ooit aan haar zijde hebben gezien. Hij was onzichtbaar of afwezig, wat overigens op geen enkele wijze afbreuk deed aan haar geluksgevoel. De kinderen die meekwamen (of mee moesten) ervoeren, aan de andere kant, een fundamenteel gevoel van ontheemding. Anders gezegd: ze verveelden zich te pletter in dit dorp van negen huizen, tien kippen, vier katten en een Duitse herder die naar de naam Lupo luisterde. Zodra de kans zich voordeed volgden ze hun vader in zijn onzichtbaarheid of afwezigheid.

Lupo, 1 of 2?
Lupo was daarentegen een constante factor. Daar kon zelfs de dood geen verandering in brengen. Dat wil zeggen dat de Lupo die we als eerste hadden leren kennen op enig moment weliswaar het tijdelijke voor het eeuwige verruilde, maar naadloos werd opgevolgd door een uiterst identiek tweede exemplaar dat voor het gemak eveneens naar de naam Lupo luisterde. Binnen een jaar waren ook de daden van beide honden geheel in  elkaar overgevloeid en was bij zowel Gianni als Irena het besef verdwenen dat in de realiteit van hun bestaan sprake was van een volgordelijkheid van twee verschillende wezens. Hun verhalen gingen, indien de gelegenheid zich voordeed, altijd over de hond Lupo, die al heel lang bij hen was en (trouwe metgezel!) vermoedelijk eeuwig bij hen zou blijven.

Met een vrouw in de keuken kon Gianni zich concentreren op zijn lotsbestemming: gras maaien en hout hakken. Daartoe verplaatste hij zich op antiquarische oranje bergtractoren (trattori cingolati) van het merk Fiat. Luidruchtige machines op rupswielen die elk plaveisel weten te kraken en elke helling (desnoods als een cinghiale dwars over struiken en bomen heen) weten te nemen. Hij had er twee, bijna identiek, maar toch in wezen en karakter duidelijk van elkaar onderscheiden (waarom heb je er anders twee?) die wisselend bereden werden. Hun geplof en gereutel bij het verlaten van de stal diende ons menigmaal als wekker. Je kon eveneens aan hun naderende herrie de klok gelijk zetten voor de lunch. Alleen de wolken tamelijk vervuilde dieseldamp die over ons terras trokken waren niet zo heel erg aangenaam.

Oude machines, allang uit de handel genomen, hebben de eigenaardigheid dat reserveonderdelen zeldzaam worden of gaan ontbreken. Maar contadini op het Italiaanse platteland zijn uiterst zelfvoorzienend en handvaardig. Met ijzerdraad wordt de motor bij elkaar gehouden en wat er ook gebeurt en wat er ook af valt, ze blijven rijden. Alleen de hoeveelheid geluid en de hoeveelheid dieseldamp worden steeds groter. Maar hoe dan ook: een contadino blijft een contadino die blijft maaien tot hij erbij neervalt.

Dat laatste leek letterlijk het geval toen we bij aankomst ergens in een lente van jaren terug van onze Italiaanse vrienden van twee huizen verder te horen kregen dat Gianni een ernstig auto-ongeluk had gehad. Zijn autootje was, op de terugweg van het wekelijkse uitstapje naar de markt, vol in de flank getroffen door een autocoureur op topsnelheid en op de verkeerde weghelft. Gianni was over een muurtje de weg afgetorpedeerd en total loss een aantal meters lager in de berm terechtgekomen. Toen hij was uitgezaagd en naar het universitaire ziekenhuis van Parma was vervoerd bleken er nog maar weinig botten over die hij niet had gebroken. Ook waren diverse ingewanden gescheurd en doorboord. Hij was, met andere woorden, een wrak. Pas na drie maanden was hij in staat om zijn vinger weer naar zijn neus te brengen. Weer een maand later slaagde hij er in om zelfstandig een lepel in zijn mond te stoppen.

Onder dergelijke omstandigheden leek het ons voor Gianni onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, om ooit nog zijn oude way-of-life te hervatten. Hij was tenslotte ook de jongste niet meer en wij stelden ons al een situatie voor waarin hij als pensionato zijn levensdagen sleet in een aangepaste woning in het dorp tien kilometer verderop. In de directe nabijheid van zijn zus, die dan meteen een zorgzaam oogje in het zeil kon houden. Maar wij onderschatten zijn wilskracht, of koppigheid, of combinatie van beide. Of zijn onvermogen om iets anders te zijn dan contadino, wat geen beroep is maar een roeping. Of zelfs dat niet eens, maar iets nog veel intensers, een door het opperwezen toegewezen lotsbestemming. Een gewone sterveling zou vermoedelijk na een aantal pijnlijke en frustrerende ervaringen alle pogingen hebben gestaakt om plaats te nemen op een oncomfortabele en niet geveerde bergtractor op rupsbanden.

Maar als de bergtractor onderdeel is van jezelf is dat geen optie. Dus toen we het jaar daarop in de lente terugkwamen werden we als vanouds ontvangen met geplof, gereutel en vervuilde dieseldamp en was de Siamese symbiose van man en machine hersteld. Het enige verschil was eigenlijk dat Gianni nog welsprekender klaagde dat het allemaal niet meeviel.

Hoe betrekkelijk dat laatste was bleek wel het meest duidelijk tijdens de situatie met het water. Maar daarover hebben we het wel eens een andere keer.

zondag 1 juni 2014

La Superba

Hoewel we als Droomhuis Italië een verstandige afstand proberen te bewaren van de waan van de dag en tijdloos proberen te rapporteren over de Italianità, blijken we ons op sommige momenten toch op de snelweg van het tijdgebonden rumoer te bevinden. Onbedoeld, zullen we maar zeggen. En dan moet je wat. Bijvoorbeeld ergens iets van vinden en meedraaien in de rondedans van de meningen.

Zo hadden we, om bij ons laatste verblijf in Italië iets te lezen te hebben, een spontane greep gedaan naar het werkje La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer. Ging daar een overwogen keuzeproces aan vooraf (je kunt tenslotte niet alle boeken meenemen uit de boekhandel)? We zullen het niet mooier maken dan het is: we laten ons bij onze keuze regelmatig leiden door het feit dat het boek in Italië speelt. Of van Italiaanse afkomst is. Op deze wijze hebben we een Italiaans bibliotheekje bij elkaar gesprokkeld en op locatie weggelezen. 


En dit werk speelt zich af in Genua, La Superba (dat was ons vanaf de omslag al duidelijk). Een intrigerende stad, we zijn er nog niet zo lang geleden geweest, en weer eens wat anders dan dat platgetreden Firenze. Dat het boek als hoofdpersoon een grote dikke schrijver heeft in wie we moeiteloos de contouren van de heer Pfeijffer zouden kunnen vermoeden werd ons pas al lezende duidelijk. Maar ach, in het Italiaanse zijn we tolerant en grootmoedig.

Wie schetst onze verbazing dat het werk, ongeveer op het moment dat we de laatste bladzijde omsloegen, er met zo'n beetje de belangrijkste prijs uit de Nederlandse letteren vandoor ging, de Libris literatuurprijs? Een gedreven jury had een keuze gemaakt uit zes veronderstelde meesterwerken, en La Superba schitterde van al dit goud het meest. Wij hadden ons beperkt tot het kopen van slechts één boek, en daarbij meteen de juiste keuze gemaakt. Je hebt het in je, of niet.

En wat hadden we dan wel gelezen? De jury, onder leiding van meesterlezer Paul Witteman, vatte het als volgt samen: ‘een belangrijke roman met universele zeggingskracht, die de komende jaren vele nieuwe lezers verdient, ook buiten ons eigen taalgebied. Behalve een ode aan Genua en zijn bewoners, is La Superba in de eerste plaats een indrukwekkende ode aan de verbeelding.’ Dat leidde bij ons, op basis van wat we net zelf onder ogen hadden gehad, tot enige verwarring. Er gingen gedachten door ons heen als: Geen wonder dat Paul op televisie een stapje terug heeft moeten doen. Of: Als dit boek de hoofdprijs wint staat het er met de Nederlandse letteren niet al te best voor.


Want, om er geen doekjes om te winden: La Superba mist te veel om voor indrukwekkend door te kunnen gaan. Het is onevenwichtig en slechts hier en daar groots. In zijn behandeling van seksualiteit maakt de schrijver het pijnlijk duidelijk dat hij het niveau van een zeventienjarige puber niet heeft weten te ontgroeien. Soms is het vertelde irrelevant, bijvoorbeeld in het breed uitgesponnen intermezzo over de Britse alcoholist Don die een gelukkige verdrinkingsdood sterft in een continu stromende hoeveelheid gin. Soms is het heel slechte vertelkunst, zoals in het intermezzo van de Afrikaanse vluchteling. Die vertelt zijn dramatisch levensverhaal (tenminste, dat is de bedoeling), maar je hebt voortdurend het gevoel dat je terecht bent gekomen in een saai maar uiterst ordelijk hoorcollege van een middelmatige en ongeïnspireerde academicus.

Het leukste zijn eigenlijk de anekdotische passages, zoals de twee hilarische pagina's waarin het verschil tussen Nederlandse en Italiaanse cameramannen wordt uitgelegd. Of de beschrijving van het televisiegenre Ik vertrek, waarin mensen het roer omgooien en in verre landen de weg kwijtraken. Dan toont de schrijver zijn kunnen, om vervolgens weer kopje onder te gaan in de zelf opgelegde plicht om een heel boek vol te krijgen. Knap overigens (we zijn niet te beroerd om ook dat tolerant en grootmoedig toe te geven) hoe de laatste anekdote vele pagina's verder op het eind weer opduikt als spiegel om de eigen ondergang van de grote, dikke, als schrijver opgevoerde hoofdpersoon te reflecteren.

Dat weet het boek als geheel echter niet te redden. In Nederland is dat vervolgens geen bezwaar. Lees er de recensies maar op na. De dikke prijs zij de heer Pfeijffer van harte gegund.

En zo zijn we in deze simpele blog eens een keertje lekker actueel uit onze slof geschoten. En weet u nu wat wij vinden van La Superba (en ook een beetje van de Libris literatuurprijs). Maar wat vindt u? Reageer, want ook dat is modern en actueel.

zondag 18 mei 2014

Gianni

Als je in Italië een huis koopt mag je er toch wel van uitgaan dat je Italiaanse buren krijgt. Soms valt dat misschien niet zo heel erg op, als je bijvoorbeeld de trotse eigenaar bent geworden van een podere die molto isolato ver weg buiten elke bebouwde kom gelegen is aan het eind van een pittoreske en bijzonder onverharde landweg. Dan heb je nog steeds buren, je ziet ze alleen niet. Als je in Italië geen Italiaanse buren hebt, maar je blijkt te bevinden in een semikosmopolitische subcultuur waarin een mengeling van Engels, Frans en Zweeds wordt gesproken, dan staat je huis vermoedelijk in Toscane. In  dat geval kun je jezelf de vraag stellen of je wel een huis in Italië hebt gekocht.

Meestal gaat het echter goed (in ieder geval in het gebied waarin wij als Droomhuis Italië onze diensten aanbieden) en krijg je te maken met echte Italianen als buren. Er zijn Engelse boekenschrijvers (de schrijver Tim Parks is hier een voorbeeld van met zijn boek Italiaanse buren) die van het begrijpen van dergelijke buren een bijna antropologische queeste maken vol onbegrijpelijke en uiterst koddige misverstanden. Dit heeft overigens meer te maken met het totale Britse onvermogen tot culturele diversiteit dan met de hoedanigheden van de Italianen per se. Maar op dit soort zaken gaan we mogelijk bij een andere gelegenheid eens nader in.

Laten we ons echter vanaf dit punt rechtlijnig concentreren op het eigenlijke onderwerp van dit bericht: op Gianni, die onze eerste Italiaanse buurman was. We schrijven verleden tijd, want intussen zijn we verhuisd. Dat geeft de gelegenheid om onbekommerd over hem te schrijven. Mocht hij deze blog eens onder uiterst onwaarschijnlijke omstandigheden door de vertaalmachine van Google halen dan is er nog steeds geen man overboord dan wel een onschuldige steen des aanstoots gevonden. Dit bijkomend voordeel heeft een zekere relatie tot het feit dat Gianni niet in alle opzichten even sociaal vaardig was. Wat overigens niet een oordeel is dat we vanuit ons Hollands onbegrip zijn gaan vellen, maar dat ons is ingefluisterd door de Italiaanse vrienden van twee huizen verder. Maar sociaal vaardig of niet, hij blijft het onderwerp van dit bericht, en over hem gaan we dus schrijven.

In de kleine borgo waar zich ons huisje bevond was Gianni de enige permanente inwoner. Als laatste representant van het nobele ambacht van contadino gaf hem dat het voorrecht en de plicht om zo’n beetje alle graslanden in de wijde omtrek te bemaaien. Gianni was als laatste overgebleven, nadat de ene zus getrouwd was in een dorp zo’n tien kilometer verderop en de andere zus heel veel verderop in Engeland haar getrouwde heil had gezocht en zich een nieuw en aangepast onvermogen tot culturele diversiteit had verworven. Daaraan kan worden toegevoegd dat de eerste paar jaar ook de moeder van Gianni nog in leven was en rond het huis rondscharrelde. Toen haar ouderdom echter tot de bekende onvermijdelijke gevolgen leidde bleef Gianni alleen over en kon hij zijn ingeboren talenten van enigszins zonderlinge kluizenaar ten volle gaan ontplooien.

Maar met deze typering doen we hem enigszins onrecht. Hij had ook een sociale kant en op basis daarvan de behoefte om zijn alleenheid bij tijd en wijlen te compenseren. Anders gesteld: als hij op zijn praatstoel zat kon hij je ongeveer letterlijk de oren van de kop kletsen, op een zodanig indringende wijze dat alleen de meest valide aller redenen (‘Gianni, de pranzo staat op tafel, ik moet nu echt gaan’) de monoloog kon beëindigen. Ter nuancering moet echter wel worden opgemerkt dat het ook heel boeiend kon zijn om Gianni te horen oreren. De omgeving van de borgo was zijn habitat. Hij kende er elke boom en elke steen en was in staat met zijn verhalen het oude, eerlijke, arme boerenleven te doen herleven. Om een moderne win-win situatie te creëren hebben wij er wel eens aan gedacht een giro di Gianni te organiseren, waarin tegen betaling belangstellende buitenlanders door Gianni zouden worden rondgeleid om alles te leren van het voorgoed verloren dorpse leven. Win-win: voor Gianni om zijn verbale behoeften te bevredigen; voor ons om niet te vaak dezelfde verhalen te hoeven horen.  Het geld zouden we gebruiken ter verfraaiing van het dorp en om de bewegwijzering naar de bezienswaardigheden op orde te brengen.

Dit echter allemaal terzijde.

Toen Gianni’s moeder nog leefde (een klein en uiterst vriendelijk vrouwtje dat ter hoogte van de heupen van krommigheid een bijna haakse bocht maakte en zich altijd voortbewoog met behulp van een stok) was de natuurlijke orde der dingen in grote lijnen intact. Gianni heerste in de wereld buiten het huis, en Gianni’s moeder bewoog zich in de microkosmos tussen keuken en moestuin, en verschoonde vermoedelijk ook de bedden. Na haar dood ging dat paradijs verloren. Wat heeft een man te zoeken in de keuken? Behalve dan in het kastje waarin de wijn wordt bewaard? Gelukkig kon Irena, de zus die in het dorp tien kilometer verderop was getrouwd de leegte vullen. Ze had voor die tijd al op bescheiden wijze haar moeder terzijde gestaan, maar nu ging ze functioneren als een Italiaanse familievariant van tafeltje-dek-je. Daarin ontstond een grote regelmaat, waarin voor iedere dag van de week vaste recepten werden bereid en aangeleverd. Op woensdag waren er cipolle ripiene, die we wel eens geproefd hebben. Ze waren toch over, zo vertrouwde Irena ons toe, want Gianni hield eigenlijk helemaal niet zo van cipolle ripiene.



We vellen geen oordeel of Gianni op dit punt gelijk had, maar het gerecht is nooit op onze favo-lijst terechtgekomen. En dat is een mooie gedachte om dit verhaal even te onderbreken en het later weer eens te vervolgen.

zaterdag 10 mei 2014

Instappen?

Het kan niet aan de aandacht zijn ontsnapt: het klimaat is veranderd. En dan hebben we het niet over de zachte winter en de natuur die een maand voor ligt op schema, maar over de economische omstandigheden. De bewindslieden struikelen een beetje over elkaar heen om te verklaren dat we resoluut de weg naar boven hervonden hebben. En als ze even niet opletten verklaren ze ook nog dat, vanwege hun eigen fantastische beleid (waaraan we natuurlijk voor eeuwig moeten vasthouden) de kans op ontsporing ook bijna eigenlijk helemaal is verdwenen. We leven in optimistische tijden.

Over dit soort zaken houden we ons als Droomhuis Italië bescheiden op de achtergrond. Van ons zult u geen heilsprofetieën in gezwollen taal vernemen. Maar fijntjes kunnen we er wel op wijzen dat het in lijn is met ons bericht van 13 september vorig jaar. En dat maakt het een interessante tijd voor mensen die overwegen om iets te gaan doen met een (tweede) huis in Italië.

Dit beeld is recent bevestigd door een column in ons immer zonnige lijfblad Italië Magazine, waarin de sympathieke Laura iedere aflevering gratis reclame mag maken voor haar eigen huizenbemiddeling. Over het ethisch gehalte van de liaison tussen Italië Magazine en Laura gaan we ons hier niet uitspreken, maar wel laten we Laura even zelf aan het woord:

“In 2013 hebben we voor het eerst sinds de crisis een herstel van de onroerendgoedmarkt in Italië gezien. Alles duidt erop dat dit herstel in het huidige jaar doorzet. … De markt voor … tweede huizen is … sterk in beweging. Veel Noord-Euro­peanen, de Duitsers voorop, durven weer stappen te zetten. In Duitsland is de economie al wat langer aan de beterende hand, in Engeland gaat het een stuk beter, de Scandinaviërs worden steeds meer gesignaleerd in Italië en nu lijkt het erop dat ook België en Nederland volgen. Voor mensen die, misschien al sinds langere tijd, met het idee rondlopen om een huis in het land van de laars aan te schaffen, zou het dit jaar wel eens het juiste moment kunnen zijn om actie te ondernemen. Er is namelijk veel goed aanbod op de markt en de ­prijzen zijn in de meeste regio’s gunstig. ... Allora, avanti!”

We kunnen het alleen maar helemaal eens zijn met Laura. We zeiden het immers al eerder. En onze Italiaanse makelaarsvrienden hebben recentelijk op hun site een Duitstalige versie geopend. Laat de Duitsers maar komen, zo luidt hun devies. Tevens wisten ze er bij ons laatste bezoek een interessant nieuwtje aan toe te voegen. Bij een aantal banken in de regio is het slot van de geldkist. Banken zijn weer meer genegen om (tweede) huizen te financieren. Tegen nog steeds gunstige rentepercentages.

Dat maakt het een interessante tijd om in te stappen. We geven toe: het klinkt een beetje als jargon. Makelaars vinden immers altijd dat het een interessante tijd is om in te stappen. Maar het verschil is dat wij het menen. De huizenprijzen zijn scherp, er is veel aanbod, en voor financieringsvragen kunnen passende oplossingen worden gevonden.



Of, zoals al meer dan tien jaar ons motto is: Uw droomhuis in Italië is dichterbij dan u denkt!!! Op onze site http://www.droomhuisitalie.nl/ is het allemaal goed te volgen. En wie daarna nog vragen heeft kan altijd bij ons terecht via info@droomhuisitalie.nl.


En (ideetje!) wie nog aan het nadenken is over de vakantiebestemming van dit jaar kan overwegen eens een paar dagen of een weekje rond te gaan kijken in de provincie Parma en de valleien van de Taro en de Ceno. Combineer dat dan maar meteen met een dagje huizenjacht, Geheel vrijblijvend. Ook daarbij helpen we graag. Daarna kun je dan bijvoorbeeld door naar Cinque Terre. Ook al zo'n aanrader. Allora, avanti! zeggen ook wij.

zondag 4 mei 2014

Zwijnen

De stelling dat wilde zwijnen het in Italië niet gemakkelijk hebben kan op zich niet onredelijk worden genoemd. Er wordt wat afgejaagd. Daar staat echter tegenover dat ook jagers (althans naar eigen zeggen) het evenmin gemakkelijk hebben in deze economisch barre tijden. Als we onze vrienden Rietje en Willem mogen geloven (inside information!) wordt het aanhouden van een jachtvergunning door het jagersvolk in toenemende mate onbetaalbaar geacht. Hier draait wederom de perfide staat (DIEVEN!) de eerlijke geweerdrager minimaal één poot uit. Dat sentiment laten we maar voor wat het is. Al denken we wel dat ook het bezit van een stel jachthonden niet geheel zonder kosten zal zijn.

We moeten echter niet denken dat de jacht zonder meer een wreed tijdverdrijf is waarin de wet van de jungle telt. Ook hier is sprake van normen en waarden, van regels en van verantwoord gedrag. Er dienen tenslotte geen onschuldige slachtoffers te vallen. Dat zal vermoedelijk de aanwezigheid verklaren van de prachtige nieuwe bordjes die we eind april in de bossen rondom ons huis aantroffen. Ruim op tijd nu we nog een hele zomer voor de boeg hebben. Je kunt als verantwoordelijk jagersvolk niet vroeg genoeg met waarschuwen beginnen.

Een gewaarschuwd mens telt voor twee! Met ons vieren hebben we de tekst goed op ons in laten werken: “Attentie? Mogelijke jacht op zwijnen aan de gang. Vanaf de derde zondag van september voor twee opeenvolgende weken op donderdag en zondag en vervolgens, tot de derde zondag van december, op woensdag, zaterdag en zondag. Wees, voor uw veiligheid, voorzichtig en draag kleding met een hoge zichtbaarheid.”

Duidelijk is dat we komende herfst in ieder geval altijd vier van de zeven dagen veilig zijn rondom ons huis. Maar wanneer begint de jacht nu eigenlijk precies? Telt, als vanaf de derde zondag van september voor twee opeenvolgende weken op donderdag en zondag gejaagd mag worden, de derde zondag van september dan mee, of wordt pas na de derde zondag op donderdag begonnen? En wat is er mis met de donderdag dat deze dag maar twee keer bruikbaar is?

Van een meer speculatief karakter is de vraag of zwijnen door dit soort mededelingen zouden kunnen zwijnen als ze konden lezen. Dit soort ideeën opent nieuwe perspectieven op het gebied van de evolutie van deze zoogdiersoort. Lezende zwijnen die een beslissend voordeel ontwikkelen ten opzichte van de niet lezende soortgenoten. En dus (survival of the fittest) een grotere kans hebben om te overleven. Wat vervolgens leidt tot het ontstaan van een steeds intelligentere zwijnenpopulatie die op enig moment ook de ratio van de jacht aan de orde zal gaan stellen. Als mensen immers jagen op zwijnen, wat verhindert dan het feit dat zwijnen jagen op mensen? In die zin valt de klacht van de jagers dat ze het niet gemakkelijk hebben wel te begrijpen.

Op het moment dat een zwijn een kledingwinkel binnenstapt en vraagt naar de collectie kleding met hoge zichtbaarheid zijn we pas echt gewaarschuwd.

zondag 2 maart 2014

Groene vraat

Bozzi (of Bössi in plaatselijk dialect) is een prettig gelegen gehucht op de glooiende hellingen boven Bedonia, goed te bereiken via de doorgaande weg van Bedonia naar Bardi. De afslag Bozzi staat keurig langs de weg aangegeven. Een lieflijk plaatsje om te vertoeven. In een minuutje of tien zit je in Bedonia. En bijna om de hoek kun je heel lekker gaan eten in Ristorante Oppici. Kortom, helemaal niets mis mee. Behalve dan het feit dat het totaal verlaten is, en in rap tempo door de natuur wordt overgenomen.

Dat laatste kun je je op een winterdag begin maart nauwelijks voorstellen, als alles nog kaal is en je dwars door alle bomen heen kijkt. Maar in augustus 2013, toen we in Bozzi aan het rondkijken waren, werden we toch wel overweldigd door het uitbundige groen. We ervoeren een meedogenloos oprukkende natuur die het vaste voornemen leek te hebben alle tekenen van beschaving in rap tempo op te eten. Of in ieder geval degelijk te overwoekeren. Op de foto hieronder is de lantaarnpaal al volledig te pakken genomen, en voor de huizen er omheen lijkt het slechts een kwestie van tijd. En heel weinig tijd bovendien.


Dat toont een simpele vergelijking met de situatie van een klein jaar eerder toen de nijvere plaatselijke blogger Esvaso, chroniqueur van het leven van Bedonia en omstreken, er eveneens een kijkje nam. Kijk er zijn fotoalbum maar op na.

Het dorp trekt nog wel bezoekers. De liefhebbers van sportief wandelen komen er doorheen als ze Sentiero 825 nemen, vanaf Bedonia de bergen over (of vice versa natuurlijk). Maar een praatje of een kopje koffie zit er niet meer in.

De Apennijnen kennen wel meer borghi desolati, en in de uithoeken van het berglandschap liggen dorpjes die je met recht afgelegen kunt noemen, en waar de vooruitgang een beetje aan voorbij lijkt te zijn gegaan. We hebben als Droomhuis Italië van een van onze klanten wel eens het commentaar gekregen dat een plaatsje hoog in de bergen toch wel erg aan Albanië deed denken. Maar dat was alweer een aantal jaren geleden, en het was herfst en koud en mistig. En we hebben geen flauw idee hoe Albanië er uit ziet.

Maar Bozzi! Niks afgelegen. Prachtige uitzichten over een glooiende groene vallei. In de verte het stadje Bedonia, met zijn uit de kluiten gewassen Seminario Vescovile, waarin een heuse sterrenwacht is gehuisvest. Geloof, wetenschap en cultuur round the corner. En toch door alles en iedereen verlaten. Behalve door de groene vraat, die wel weg weet met een paar gebouwen.





Uitzicht vanuit Bozzi. Het koepeltje midden op de foto is van het Seminario van Bedonia