zondag 31 augustus 2014

Laatste trein naar Parma

Dit had een licht ironisch stukje moeten worden over ons tochtje naar de Cinque Terre, dat pittoreske postzegelgebied met Unesco-status. Maar omdat we besloten hadden daar per trein heen te gaan komt daar nu even niet zo heel veel van terecht. We kwamen weliswaar aan waar we aan wilden komen, en nog enigszins volgens dienstregeling ook, maar terug naar huis was een ander verhaal. Dat gaan we hier kort vertellen. Onze belevenissen in Unesco-gebied volgen een andere keer.

Zo op het eerste gezicht lijken de Italiaanse spoorwegen toch wel enigszins een modern bedrijf, helemaal van deze tijd. Er is sprake van een website (http://www.trenitalia.com/) die met enige moeite ook nog kan worden overgehaald om stukjes van de dienstregeling te tonen. De grootste aandacht gaat echter uit naar het ultramoderne netwerk van de hoge snelheid, jolig aangeduid als Le Frecce, waarmee van grote stad naar grote stad kan worden gereisd en waarmee de noodlijdende Italiaanse spoorwegen het al even noodlijdende vliegende AlItalia serieus pijn willen doen. Echt een natte droom van modern managersvolk. En dat vervolgens ook het stomme klootjesvolk vervoerd moet worden van dorpje A naar dorpje B (of in ons geval van Borgo Val di Taro naar Monterosso al Mare) zien we dan later wel weer.

Dat hebben we echter nog niet zo in de gaten als we om 8:46 uur op het perron in afwachting zijn van de trein. Met ons vele anderen in strandverpakking, want in Monterosso kan goed gestrand worden. De trein is al gezellig vol, maar er zijn nog zitplaatsen. En zittend boemelen we door vele tunnels naar de kust, in een trein die alleen instappende passagiers kent en zich ontwikkelt van vol naar overvol. Daar stoppen we in La Spezia, waar zowaar enkele reizigers de trein wensen te verlaten. Voor elke vertrekkende passagier komen er echter tien terug. Het is nog vroeg, het is nog redelijk koel en iedereen is in opperbeste stemming. Met iedereen aan boord bereiken we uitpuilend de plaats van bestemming.

De terugweg is een ander verhaal. Volgens de in de virtuele wereld bestaande dienstregeling zijn er vrij veel treinen die van Corniglia naar La Spezia rijden, maar in de werkelijke wereld weigeren ze te verschijnen. Het station beschikt nog wel over van die televisieachtige apparaten waarop treintijden worden vertoond, maar die hebben vooral de functie om treinen te laten verschijnen en verdwijnen, een beetje zoals bij weeralarm code oranje (“De trein van 18:15 uur rijdt vandaag helaas niet”) in Nederland. Daar staan we dan, gestrand in Corniglia, dat als enige van de Cinque Terre geen strand heeft omdat het wat hoger op de rots ligt. Als er eindelijk een trein arriveert wil iedereen natuurlijk mee. Alleen loopt het nu al tegen vijven, is het behoorlijk warm en wil iedereen vooral gewoon naar huis na zo’n dagje zonnen en wandelen. In de nog drukkere trein lopen de gemoederen dan ook op, vooral als bij station Manarola blijkt dat de deur het heeft begeven en niet meer open wil. Een verhitte oudere Hollandse heer gaat helemaal door het lint. Het onvermogen tot uitstappen leidt tot een scala aan escalerende gemoedstoestanden die het best omschreven kunnen worden als paranoïde en suïcidaal. Hij ziet het ZO niet meer zitten dat hij zich het liefst ter plekke voor een trein zou willen werpen. Maar dat gaat nu eenmaal moeilijk als de trein stilstaat en je er niet uit kunt, dus loopt het allemaal gelukkig met een sisser af.

In station Riomaggiore is het perron te kort voor de trein, zodat de geachte clientèle  geacht wordt in de treintunnel uit te stappen en zelf maar even te zien hoe het perron bereikt kan worden. Gelukkig wordt deze uitdaging gemiddeld sportief opgenomen.

In La Spezia gaan we eerst even de stad in om te borrelen omdat de aansluitende trein naar Borgo Val di Taro nog zo’n anderhalf uur op zich laat wachten, maar als we opgewekt op het station terugkeren hebben de spoorwegen als verrassing besloten de betreffende trein zonder verdere mededeling te laten vervallen, zodat we nog een uurtje voor ons zelf hebben. Had dat even van te voren gezegd, want we hadden best nog even door kunnen borrelen, de haven kunnen bezichtigen, een leuk stukje shopping voor onze rekening kunnen nemen, en nog zo wat. Om negen uur komt dan toch, bijna als een mirakel, de laatste trein naar Parma daadwerkelijk voorgereden, zodat we uiteindelijk de nacht gewoon in eigen bed kunnen doorbrengen. Medereizigers die verder moeten dan Parma hebben vermoedelijk grote pech.

Wat hebben we van onze ervaringen geleerd? In de eerste plaats dat we bij een volgende excursie toch gewoon maar weer de auto nemen. In de tweede plaats dat er wel eens sprake kan zijn van twee Italiaanse spoorwegen. Aan de ene kant de officiële (blinkende kantoren in Rome en Milaan) waar het al eerder genoemde moderne managersvolk schitterende hoogtepunten beleeft aan de topsnelheden van de Frecciabianca en de Frecciarossa. En daarnaast, los daarvan, de spoorwegen van de realiteit, waar de uitvoerende medewerkers (om er toch nog maar iets van te maken) een eigen dienstregeling hebben ingevoerd die in een uiterst losse relatie staat tot hetgeen op de website wordt beweerd. Wat is anders de betekenis van het vodje dat de lokettiste van dienst ons in Borgo Val di Taro toeschoof bij het kopen van de kaartjes en dat een uiterst summiere opsomming bleek te bevatten van treinen die wel zouden rijden?


vrijdag 22 augustus 2014

Water en vuur

Normaal gesproken is in de zomer in Italië het weer geen issue. Of een onderwerp van gesprek. ’s Morgens sta je op en kijk je tegen een blauwe lucht aan. Dit jaar is het echter anders en is weerkundig sprake van een merkwaardig (merkweerdig?) jaar waarin, zonder veel oog voor de seizoenen, veelvuldig sprake is van Hollandse wolkenluchten.

Dat heeft dan meteen het al even Hollandse effect dat je naar het weerbericht gaat kijken en alle meteo’s doorneemt die in Italië voorhanden zijn. En die zeggen vervolgens allemaal wat anders. Want weer voorspellen kunnen ze niet in Italië. Dat is immers nooit nodig. Het beste weerbericht over Italië komt uit Noorwegen. Zij het dat hierbij sprake is van een licht Scandinavisch pessimisme.

Eveneens kan er heel veel over het weer gepraat worden. “Het is helemaal niks dit jaar,” zegt de ober van het restaurant in Castel Arquato waar we net gegeten hebben. “In de winter de hele tijd regen, in de lente de hele tijd regen, en nu in de zomer is het niet anders. De klanten blijven weg bij al die regen. Het restaurant is leeg, en de verdiensten zijn naatje.” Hoewel Italianen meesters zijn in het klagen, heeft de ober op dat moment wel enig recht van spreken. Het regent pijpenstelen. Wat de klanten betreft is het probleem echter niet dat ze niet komen, maar dat ze niet weg kunnen. Met een geleende paraplu gaan we na een kwartiertje de auto maar eens halen. Als we door de bergen naar huis rijden gaat de regen langzaam over in heel dikke mist. Op de tast weten we na uren thuis te komen.

En wat doe je dan om de somberte te verdrijven? Dan steek je gezellig de kachel aan! Dat is ons in hoogzomer nog nooit gelukt! Normaal probeer je de warmte een beetje buiten te houden. Maar op een regenachtige namiddag gaat er niets boven een goed boek bij een knapperend houtvuur.

Het is echter ook een jolige vorm van overdrijven. Je moet toch wat als de verveling dreigt toe te slaan. 

Een dagje later zitten we ’s avonds gewoon weer lekker buiten. En dan is het tijd voor schemeren rondom een al even gezellig buitenvuurtje in de vuurschaal. En als het dan lekker donker wordt geeft dat mooie plaatjes. En ook wel diepfilosofische gesprekken over de aard der dingen. En over het weer van de volgende dag.


donderdag 14 augustus 2014

Castelli Aperti

Omdat we als Droomhuis Italië heel erg de mening zijn toegedaan dat je een kasteel ook wel kunt beschouwen als een soort van droomhuis zijn we bijzonder blij met het jaarlijks initiatief van de regio Piemonte om van april tot oktober kastelen en adellijke huizen voor het publiek toegankelijk te maken. Dat heet Castelli Aperti (Open kastelen), en voor je het weet ben je in staat om bijvoorbeeld op 22 juni, 3 augustus of 7 september de drempel van een normaal niet toegankelijk huis te overschrijden.

In dat kader bezoeken we op 20 juli in de middag het kasteel van Monastero Bormida. Dat levert meteen een fraaie combinatie met het feit dat in hetzelfde kasteel (in hoofdletters) de tentoonstelling IL MONFERRATO 500 ANNI DI ARTE: GRANDI ARTISTI IN UN PICCOLO STATO wordt gehuisvest. De Monferrato is weliswaar klein, maar zeker niet van de straat. En Monastero Bormida zal dat bewijzen!

De rondleiding begint op het plein voor de hoofdingang. Dat is ook op gewone dagen vrij toegankelijk gebied, maar je moet ergens beginnen en een kniesoor die daarop let. Bovendien vindt er een sponsorachtig evenement van het plaatselijke Rode Kruis plaats, waarbij genummerde jongens en meisjes ijverig heen en weer rennen.

We beginnen vervolgens aan een uitgebreide rondleiding rond de buitenkant en doen daarbij grote hoeveelheden historische kennis op. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij (wie had dat nou gedacht in een plaatsje dat Monastero heet!) en werd pas later in een kasteel omgetoverd. Eerst een fort met heel kleine raampjes en daarna met toenemend woongemak en beter glas. En de bijna losstaande toren was oorspronkelijk de toren van de abdijkerk. En die boog die toren en kasteel verbindt is het laatste restant van die kerk. En zo hobbelen we in 360⁰ de façade af. En maken we voor de gelegenheid tevens een uitstapje naar de bijzijnde romaanse brug over de Bormida. Wisten we dat het kapelletje middenop oorspronkelijk een tolhuisje was? Die smalle, hoge brug kennen we overigens al. Het is immers een van onze guilty pleasures om daar per auto overheen te rijden in de hoop tegenliggers tegen te komen voor het spelletje Wie moet er achteruit?

Pionnen in een schaakspel
Na drie kwartier hebben we het volledige rondje gemaakt en staan we weer voor de hoofdingang. Nog steeds weet onze gids op meesterlijke wijze het ogenblik uit te stellen dat we naar binnen mogen. We voelen ons pionnen in een onbegrepen schaakspel. Dan eindelijk worden we de binnenplaats opgeleid waar we geconfronteerd worden met een mooie collectie Ikea-waxinelichtlampjes van het type ROTERA (Lanterna per candeline, nero). Laat een verrassende eclectische mix van oud en nieuw maar aan de Italianen over! Die trouwens €4,95 per lampje betalen, terwijl we ze in Nederland voor €2,95 mee naar huis mogen nemen.

Clean desk
Maar zand daarover. Eindelijk zijn we na 55 minuten de drempel overgestoken en blijkt het Castello deels in gebruik als gemeentehuis. Een unieke mogelijkheid om de balie van de burgerlijke stand  eens vanuit een ander perspectief te savoureren. En een kijkje achter de schermen te nemen. En de effecten van de Piemontese clean desk policy te bewonderen. 
En met eigen ogen te aanschouwen dat zelfs een kleine plattelandsgemeente als Bormida tussen de gemengde berichten en het politiek sociaal geneuzel nauw betrokken is bij het meeslepende Europese Leonardo-project. 
De Franse adelaar op het plafond van de raadzaal bewijst hierbij trouwens dat ook twee eeuwen geleden Monastero al onderdeel was van het complexe pan-Europese raderwerk.

Diep onder de indruk beginnen we daarna op de zolderverdieping van het kasteel, onder spreekwoordelijke hanenbalken, aan de tentoonstelling. Kunstwerken van de late middeleeuwen tot en met de moderne tijd worden smaakvol aan ons gepresenteerd. 

Vurig feminisme bijvoorbeeld in de vorm van het beeldhouwwerk Donna Mediterranea van de in Nizza Monferrato geboren Claudia Formica. En dat al omstreeks 1933, in het midden van de fascistische era, met Mussolini om de hoek. De geamputeerde armen! De hautaine blik vol verachting! Het niets om het lijf! Echt een statement van jewelste.

Dan hebben mannen, zo blijkt uit een suffig schilderijtje dat ook tot de tentoonstelling is toegelaten, het toch al eeuwenlang een stuk gemakkelijker. Die mogen tenminste hun armen en kleren be- en aanhouden om zich contemplatief te bekreunen over vanitate en memento mori.

Verkwikt staan we een half uurtje later weer buiten. Het bijzonder aardse en fysieke beklimmen van de voormalige kerktoren blijkt een mooie opmaat voor een ijsje bij de bar-gelateria twee straten verderop.

zondag 20 juli 2014

Het nieuwe lezen heeft geen woorden nodig

Dat tegenwoordig alles BELEVING is lijkt ook tot Italië doorgedrongen. U kent dat wel, als gewoon niet meer genoeg is en je hoe dan ook, wat je ook aan het doen bent, zult GENIETEN tegen de klippen op. Of tot je erbij neervalt. Zodat je (evenals de rest van de planeet) unieke ervaringen opdoet die niemand je ooit nog kan afnemen. Die je dan via sociale media ter plekke aan iedereen rondtoetert.

In Nederland heeft, zoals we uitgebreid in het nieuws hebben kunnen meebeleven, de belevingseconomie ook het boekenvak in een klemmende houdgreep genomen. Eerst werd, om de onomkeerbare opkomst van het internetwinkelen te weerstaan, een aantal kwaliteitsboekhandels geketend in een onbegrijpelijk verband dat Selexys (of zoiets) werd genoemd. Welke gek verzint zo’n naam? Toen daar niemand meer boeken wilde kopen werd de vlucht naar voren gekozen door samen te gaan met De Slegte, bastiljon van traditie en onveranderlijkheid. Maar om te voorkomen dat het mogelijk publiek overmand zou worden door weemoed werd dat gerealiseerd onder de naam Polare. Polare klinkt als een speciaalzaak in koelkasten en vrieskisten. Wederom: welke gek verzint zo’n naam? Hoe het allemaal afliep is genoegzaam bekend.

Wie denkt dat in een traditioneel denkend land als Italië het boeken kopen aan de terreur van de gezelligheid is ontkomen komt echter bedrogen uit. Dat denken wij althans, na ons recente bezoekje aan de provinciehoofdstad Parma. We koesterden nog het beeld van de boekenzaak Fiaccadori (vanaf 1829), een boekenzaak zoals een boekenzaak door de schepper bedoeld is. Afgeladen met boeken. Boeken keurig in het gelid in boekenkasten van de vloer tot het plafond. Boekenkasten met zo’n verrijdbaar laddertje, zodat ook de bovenste planken bereikt kunnen worden. Waar een orde heerst die voor een gewoon sterveling nauwelijks is te bevatten, maar waar het deskundig personeel wel raad mee weet. “Hebt u voor mij het verzameld werk van Leopardi?” zou hier een vraag kunnen luiden. Of misschien ook: “Welke gebonden editie van De kartuize van Parma zou u me kunnen aanraden?” En hup, daar schiet het laddertje twee meter naar rechts, en een kwiek baasje, vanaf het allereerste begin reeds bij de zaak in dienst, klimt naar boven om met minstens tien verschillende edities weer af te dalen.

Maar Fiaccadori moet vrezen voor zijn leven, want vijfhonderd meter verderop heeft de gerenommeerde keten Feltrinelli onder de joyeuze naam la Feltrinelli de boekhandel van de toekomst geopend. In een majestueus pand, ruim en licht, met zware tekenen van zorgvuldige restauratie en doorspekt met industriële details. 

Een terrasje voor de deur, en een uitgebreide bar die de voorste helft van de begane grond bezet. Je moet goed zoeken voor je de eerste boeken tegenkomt, tussen de e-readers door. En gedurende de gehele rondgang over de drie ruime verdiepingen blijf je in onzekerheid of je nu in een boekhandel bent beland, of bij een traiteur. Het is, kortom, allemaal zo modern en helemaal van deze tijd dat een licht gevoel van ontregeling voortdurend op de loer ligt.



De eerste keer dat wij er kwamen vertrokken we dan ook met een ambachtelijk vervaardigd taartje en een mooi vormgegeven stukje hoogwaardige chocolade. We gingen later die dag op bezoek en we hadden nog een aardigheidje nodig voor de gastvrouw, vandaar.


zondag 6 juli 2014

Slow food in razende vaart

Soms zie je het pas als je het door hebt. Of zoiets. En soms loop je per ongeluk (of eigenlijk: per geluk) tegen iets aan. Dat overkwam ons recentelijk toen we een middagje Parma deden en daar de Strada Farini doorliepen om eens een kijkje te nemen bij de Citadella di Parma. U weet wel, dat onneembare fort aan de zuidrand van het centrum van Parma dat mogelijk zo’n prominente rol vervult in de roman De kartuize van Parma van Stendhal. Of niet, want een romanschrijver blijft een romanschrijver. Misschien heeft hij alles verzonnen. En veel is er overigens niet meer van over, van die citadel, want tegenwoordig is het een parkje waar kinderen kunnen trampolinespringen.

Maar daar gaat het nu niet over. En wat volgt is evenmin verzonnen. Het was warm, het zonnetje scheen, en we kregen, staande voor de deuren van een ijssalon, spontaan zin in een lekkere gelato. Geheel toevallig (toeval bestaat niet?) bleken we beland voor de deuren van GROM (il gelato come una volta) waaraan het zonnige tijdschrift Italie Magazine een aantal maanden geleden een juichend artikel heeft gewijd. “We rekenen af, lopen naar een nabij­gelegen parkje om er eens goed voor te gaan zitten en al na de eerste hap weten we: dit is ijs zoals het bedoeld is.” Dat soort proza dus. En ook: “In een filmpje voor een Italiaans programma op Rai Uno is te zien hoe het duo een aardbeiensorbet maakt. Guido snijdt twee aardbeien doormidden, roemt de textuur van de ene aardbei en kraakt die van de andere af. Niet alleen de ­buitenkant, ook het hart van de vrucht is voor hen een belang­rijk selectie­criterium.” We blijven niet citeren, maar het punt is –lijkt ons– wel gemaakt. Hier worden nieuwe dimensies toegevoegd aan kritische, onafhankelijke journalistiek.

Maar ook daarover willen we het eigenlijk niet hebben. Het is nog steeds zonnig, en we hebben nog steeds zin in een ijsje. We lopen dus naar binnen, vervoegen ons aan de kassa en bestellen due coni van het middelste formaat. We willen klasse, en gaan niet op een paar centen kijken. Misschien is eveneens onbewust de waarschuwing van de scherpzinnige reporter van het Magazine in ons achterhoofd blijven hangen: “Het zal geen verbazing wekken dat deze duurzame productie van ijs gepaard gaat met een stevig prijskaartje.” Onbekommerd trekken we evenwel onze portemonnee en bestellen twee ijsjes voor € 2,70 het stuk. Ronduit stevig, maar we geven geen krimp.

Duurzaam? Prijskaartje? Voor het goede begrip van wat nu gaat volgen moeten we nog even kwijt dat GROM werkt volgens de filosofie van de slow food beweging. Het brede, moderne verbond dat zich inzet voor het gebruik van de allerbeste producten zonder smaak- en conserveermiddelen, zorgvuldig bereid, en vaak met een lange bereidingstijd. Lekker langzaam dus, net zoals je een ijsje moet eten. Likken met kleine bescheiden likjes. Likje voor likje voor likje.

Voor ons dure geld mogen we drie smaken kiezen. En die worden vervolgens zorgvuldig op onze hoorntjes geladen, totdat een uitzakkend torentje ontstaat van zo’n tien centimeter hoog. Een halve kilo ijs per persoon, zo voelt het een beetje aan. En het is warm, en het ijs heeft een gezonde behoefte om te gaan smelten. En alras beginnen straaltjes gesmolten lekkernij een weg te zoeken naar beneden, geheel conform de wetten van de zwaartekracht.

Het moet gezegd: heerlijk ijs. Maar nog nooit hebben we zo hard moeten werken om onze ijsconsumptie niet te laten ontsporen in een grote zoete kledderbende. Het smelttempo is likkenderwijs eigenlijk niet bij te benen. Slow gelato wellicht, maar keihard beulen om het spul naar binnen te krijgen. Een race tegen de klok!

Welke les kunnen we hieruit leren? Slow food en slow eating (of: licking) zijn niet hetzelfde. Onze tip derhalve: ga naar GROM, voor het geld hoef je het niet te laten. Maar neem het kleinste ijsje dat er is. Of neem een bakje in plaats van een hoorntje. Het slow-gevoel is wellicht minder, maar het gemak vermoedelijk groter.


Heel verliefde stelletjes met een goed ontwikkelde fijne motoriek kunnen een groter ijsje delen door de delicatesse gezamenlijk en van twee kanten tegelijkertijd te benaderen. Dat geeft meteen aanleiding tot tedere momenten als er lippen moeten worden schoongehouden. Romantiek wellicht, zoals het bedoeld is. Ondersteund door de beste natuurlijk ingrediënten. Maar altijd de vaart er in houden!

zondag 29 juni 2014

De situatie met het water

Onze toenmalige kroonprins leerde al van zijn vader dat er met water drie dingen zijn. Het is te veel, te weinig of te vuil. Combinaties van deze drie (niet alle combinaties, overigens) zijn ook mogelijk. Dat maakt wel duidelijk dat je er bovenop moet zitten. En zo was het watermanagement geboren.

In het dorp waar wij ons eerste huisje hadden gekocht was Gianni verantwoordelijk voor het watermanagement. Dat had heel erg te maken met het feit dat hij de enige permanente bewoner van het dorp was. Mario was eveneens goed op de hoogte, maar hij was er meestal alleen in het weekeind, en een halve week op water moeten wachten is geen haalbare optie.

Watermeter zonder rekening: als de radertjes draaien weet je
dat het water stroomt.
In dit kader dient gememoreerd dat het dorp was aangesloten op een eigen bron. Geen bijzonder fenomeen, want de Italiaanse Apennijnen staan stijf van het water en op de gekste plaatsen borrelt het op. Een eigen bron betekent dat je nooit waterrekeningen krijgt (voordeel!), maar dat je er wel zelf voor moet zorgen dat het water blijft stromen. Ook dat laatste is overigens met de Italiaanse waterleveranciers niet per se een nadeel. De servicetijden kunnen er aanmerkelijk door verkort worden.
Milieuvriendelijk beheer: zolang de waterleiding niet kapot is
hoeft er niets aan te gebeuren.
Het had wel voor een situatie gezorgd dat de kwaliteit van het waterleidingwerk een pragmatisch samenstel was van enigszins los gestructureerde elementen van wisselende kwaliteit. De oorspronkelijke ruim bemeten serbatoio pal achter ons huis had een capaciteit van zo’n 8000 liter, maar was buiten gebruik gesteld toen de constructie scheuren begon te vertonen. Van reparatie was uiteindelijk afgezien, omdat dat blijkbaar toch wel heel erg moeilijk was. Het tragische verscheiden van een dorpsbewoner die in het vat bezig was en er niet meer uit kon komen leek daar iets mee te maken te hebben. Het fijne van het verhaal zijn we nooit te weten gekomen.

Beginpunt van het canale di Mario
Hoe dan ook: het probleem was opgelost door hoger op de helling een tweetal nieuwe waterreservoirs te installeren. Die hadden weliswaar een veel kleiner volume, maar zolang je niet urenlang met zijn allen aan het douchen sloeg (of soortgelijke waterintensieve handelingen wenste te verrichten) was er niet veel aan de hand. Mario die wat hoger op de berg zijn woning had, had daarbij gezorgd voor een eigen reservoir dat via een aftakking van de waterleiding, in de volksmond bekend als het canale di Mario, werd gevoed.

In onze eerste Italiaanse zomers kwam het een paar keer voor dat midden op de dag de waterdruk helemaal wegviel. Op die momenten bleek Gianni’s oude moeder aan watermanagement te doen en was ze ’s morgens de moestuin gaan bewateren zonder bij vertrek de kraan te sluiten. Dat gaf mooie tomaten, drijvende sla en een tuin waar je pas twee dagen later weer goed in kon, maar ons ongemak was meestal na een half uurtje verholpen.

Toen enkele jaren later het water langduriger wegviel en geen aanstalten maakte om terug te keren begrepen wij dat er iets anders aan de hand moest zijn. Hier waren de watermanagementkwaliteiten van Gianni vereist. De laadbak van de tractor werd volgestopt met onduidelijk, maar vermoedelijk uiterst bruikbaar materiaal, en zo reden we de berg op. Dat wil zeggen: Gianni reed, en wij liepen er als ongeschoold manusje van alles leergierig achteraan. Al snel bleek dat we aan reverse engineering gingen doen. Van onder tot boven gingen we de bekende knelpunten langs om te kijken waar zich waterstremmingen voordeden.

Watermanager in actie. Niet voor een gat te vangen!
Het onderste reservoir stond zo goed als leeg en werd nauwelijks gevoed. De put halverwege het weiland waar de oude en nieuwe bron samenkwamen en je erg op moest passen voor adders gaf hetzelfde beeld. Het bekende zwakke punt op het hoger gelegen bospad, waar ooit bij een aardverschuiving de leiding was geknapt vertoonde geen bijzondere sporen en evenmin een aanwezigheid van water. Dit was een eerste belangrijk signaal in de ogen van de watermanager: het probleem had te maken met de nieuwe bron, en het feit dat we zo weinig water hadden werd veroorzaakt door het feit dat alleen de oude bron nog leverde. Voor de zekerheid (en om alle andere mogelijke verklaringen uit te sluiten) werden de leidingen die we hadden opgegraven nog maar even doorgeblazen door de leiding met een poetslap aan te sluiten op de uitlaat van de tractor en daarna stevig gas te geven. Ogen, oren, neus en keel kregen het bij die handeling even stevig te verduren. Die avond hebben we voor de zekerheid alleen flessenwater gebruikt om te koken en thee en koffie te zetten.

Vanaf dat moment schakelde de watermanager over op een tactiek van forward engineering en gingen we linea recta naar de nieuwe bron. Die bleek geheel in de bebossing verdwenen en enigszins lastig te traceren, maar ook daar weet een bergtractor wel raad mee. In no time was een ruim zoekgebied van struweel ontdaan en konden we op zoek naar de bovenste put die het aan de oppervlakte opborrelende water opvangt en het leidingensysteem instuurt. Toen we daar konden constateren dat de bron nog steeds stroomde en een gemiddelde productie te zien gaf van vijf liter water per minuut kenden we de aard van het probleem: een verstopping ergens in de eerste 250 meter van de leiding.

Het spreekwoordelijk lek is
boven water!
Hoe stel je vast waar zich in die 250 meter precies de verstopping bevindt? Ook daarvoor had de watermanager een oplossing. Je zaagt gewoon om de zoveel meter de leiding door en kijkt wat je tegenkomt. Gelukkig was het de eerste keer, twee meter van de serbatoio, al raak en zagen we de verstopping met eigen ogen in volle glorie de boel verstoppen. Wortels van de planten rondom de put waren op zoek naar water binnengedrongen en het filter om de leiding schoon te houden was er niet helemaal tegen bestand gebleken. Jaar na jaar hadden minuscule wortelhaarvaten zich vermenigvuldigd tot een solide soort van kabel die de leiding stukje bij beetje totaal had gevuld en afgesloten.


De boosdoener is gearresteerd en afgevoerd.
Toen was het alleen nog zaak om de wortel uit de leiding te krijgen en dat was ouderwets wrik- en trekwerk dat na een half uurtje wel klaar was. Dat we daarna moesten constateren dat we in de voorraad van de watermanager geen verbindingsstuk aantroffen om de doormidden gezaagde leiding te herstellen was slechts een detail dat wachtte op de middagopening van de Ferramenta in het nabijgelegen dorp. ’s Avonds konden we gewoon weer onder de douche.

zondag 22 juni 2014

Graaf van Bardi

Het koninklijk wapen.
Linksboven het fort van Bardi,
anatomisch niet correct.
Wederom zien we ons als Droomhuis Italië verbonden met het wereldtoneel. We zijn er niet helemaal zeker van of zich op dit toneel een serieus drama afspeelt of een boertige klucht, dat laten we over aan het scherpzinnig oordeel van onze lezers. Maar toch voelen we de dringende plicht tot informering. Om het anders te zeggen: we moeten het even kwijt.

Het zit ongeveer zo: Sinds enkele jaren mogen we ons parttime inwoners van de fraaie comune di Bardi noemen. Gezien het volwassen bedrag dat we jaarlijks aan tributi bijdragen mogen we wel zeggen fiscaal volledig ingeburgerd te zijn. Dat schept een band. Bij officiële gelegenheden zingen we het plaatselijke volkslied mee, zoiets.

Om de zoveel tijd bezoeken we natuurlijk ook het plaatselijk pronkstuk, het ongelooflijk uit de kluiten gewassen Fortezza di Bardi. een machtig bouwwerk waarover we bij een andere gelegenheid wel eens zullen schrijven.


En zo naderen we langzaam het eigenlijk onderwerp van dit bericht. Jarenlang bevatte het fort, opgeprikt aan een onbeduidend stukje muur in een van de verwaarloosde gebouwen, een morsige zwart wit foto van het gehele gezin De Bourbon de Parme dat daar net op staatsiebezoek was. Carlos Hugo (†2010) voorop, en het hele kindervolk rondom. Irene ontbrak, want die had haar loopbaan reeds omgebogen naar bomenecologie. Indertijd ging onze belangstelling het meeste uit naar Margarita, die toen op de toppen van haar afluisterparanoia zweefde, maar ondertussen wel (en nog steeds) gravin van Colorno was.

Hoe dan ook: Recent berichtte de immer goed ingevoerde Volkskrant dat Carlos de Bourbon de Parme het recht op de Spaanse troon claimt. Ook hier wint Nederland van Spanje, want laten we wel wezen: Carlos is half Nederlands, en door zijn huwelijk met het burgermeisje Annemarie staat de teller nu op 75%. Burgermeisjes zijn trouwens ook nog eens heel populair in Spaans koninklijk verband. Dat deze uit een CDA-nest komt doet daar niets aan af.

Het harnas van Carlos
is al klaar
Maar het meest verbluffende is natuurlijk dat Koninklijke Carlos ook nog eens een keertje graaf van Bardi is, naast al zijn andere drukke werkzaamheden. Ook Italië wordt steeds Nederlandser. Want reken maar dat Carlos koning gaat worden en zijn Fortezza di Bardi gaat opeisen. Als de hofhouding dan meeverhuist, hebben wij als parttime inwoners van Duitsen bloed en den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd mooi een streepje voor.

Een operettescenario? Luchtfietserij? Dezelfde goed ingevoerde Volkskrant meldde een tijdje terug eveneens dat Prins Jaime de Bourbon de Parme, de neef van de koning, de ambassadeur is geworden bij de Heilige Stoel in Vaticaanstad. Een machtige hand op de achtergrond. Het subtiele schaken om de macht is begonnen. Het spel is op de wagen. En binnenkort vertrekken we maar eens naar het zuiden om er met onze neus boven op te staan.